Vrijgegegeven door de Duitsche Censuur

Zo'n vijftig Nederlandse `journalisten' vertrokken met de SS naar het Oostfront. Aan de actualiteit hadden ze geen boodschap, ze vochten mee met hun kameraden, zo blijkt uit een boeiende aanvulling op de pershistorie.

Zomer 1941. `De zestiende Augustus zal in de geschiedenis van de Nederlandsche journalistiek een wel zeer gedenkwaardige dag zijn', voorspelde secretaris-generaal Goedewaagen van het departement van Voorlichting en Kunsten in het bezette Nederland. Hij wuifde de eerste lichting uit van een groep Nederlandse vrijwilligers van de Waffen SS die na een militaire training in Duitsland de berichtgeving van het Oostfront zou gaan verzorgen.

`Voor de eerste maal', vervolgde de spreker, `vertrekt een volkomen op militaire leest geschoeide journalisteneenheid, voorzien van de meest moderne technische hulpmiddelen om de gebeurtenissen van den oorlog in beeld, woord en letter vast te leggen. Deze bewapende journalisteneenheid, welke ons Duitsche broedervolk `Propaganda Kompanie' noemt, of kortweg P.K., heeft een tweeledige taak.' Behalve `een volksvoorlichtende' taak kreeg de PK-man de rol van de geschiedschrijver `die zelf met de wapenen in de hand de geweldige gebeurtenissen, die in dezen tijd plaatsvinden, beleeft.'

Gerard Groeneveld vertelt het verhaal van de Nederlandse Kriegsberichter in een gedetailleerde, ruim geïllustreerde en met radiofragmenten op cd aangevulde studie. Een kleine vijftig collaborateurs – onder wie een handjevol vakjournalisten – heeft zich voor de in dit boek beschreven vorm van nationaal-socialistische oorlogspropaganda geleend. Behalve zucht naar avontuur was hun drijfveer haat tegen joden en bolsjewieken, door PK-man Cees van der Heyden beschreven als `een verdierlijkte massa, die niet leeft maar vegeteert aan de bronnen van overvloed, welke thans door de Germaansche soldaat voor de Germaansche wereld zijn veroverd.' De meesten zijn tot het bittere eind overtuigde nazi's gebleven.

Richtlijnen

Groeneveld begint zijn boek Kriegsberichter met een uitvoerige beschrijving van de manier waarop volgens richtlijnen van Goebbels en Himmler het werk van oorlogscorrespondenten in de Wehrmacht en vervolgens de SS was georganiseerd. Speciale legereenheden, in totaal niet minder dan 15.000 militairen, moesten de bevolking van Duitsland en de veroverde landen voorzien van persberichten (Gruppe Wort), foto's (Gruppe Bild), beelden voor de bioscoopjournaals (Gruppe Film), radioreportages (Gruppe Rundfunk) en fel realistische tekeningen (Gruppe Zeichnen). De PK-SS had bovendien tot taak vrijwilligers te werven (Gruppe Ausland) en psychologische oorlogsvoering te bedrijven via pamfletten en luidsprekers aan het front (Gruppe Kampfpropaganda).

Op dezelfde leest was de Nederlandse PK-SS georganiseerd. Zo had de Hilversumse omroep een radiowagen ter beschikking gesteld ten behoeve van een vaste SS-radiorubriek met de lange titel: `Voorwaarts kameraden. SS-oorlogsverslaggevers berichten u over den strijd en den opbouw van het jonge Europa.'

De berichten van de Nederlandse Propaganda Kompanie verschenen zowel in de gelijkgeschakelde reguliere pers als, aanzienlijk frequenter, de nationaal-socialistische partijpers. Over het effect van al het verbale en beeldgeweld is – ondanks rapportages van de Sicherheitsdienst over de stemming onder de burgerbevolking – maar weinig bekend. Aannemelijk is dat de filmjournaals relatief de meeste invloed hadden. Groeneveld waagt zich dus niet aan een oordeel over de betekenis van de PK voor de Duitse oorlogsvoering. Dat maakt zijn boek niet minder waardevol als noodzakelijke aanvulling op de geschiedschrijving van pers en propaganda.

In het midden blijft de vraag of we hier behalve van persgeschiedenis ook van journalistiek kunnen spreken. Sinds de uitvinding van de telegraaf verzorgden oorlogsverslaggevers heet van de naald berichten van het front. De eerste – William Howard Rusell van The Times – schreef in 1854 geruchtmakende reportages over de Krimoorlog en liep daarbij meteen op tegen de militaire censuur en tegenwerking van de legerleiding die ondermijning van de publieke en militaire moraal vreesde. Zodra de wapens spreken is het onderscheid tussen informatie en propaganda van oudsher ver te zoeken. Het is dus verleidelijk de `Kriegsberichter' te vergelijken met de `embedded journalists' in de Irak-oorlog, maar dat raakt kant noch wal. De PK-mannen waren SS-soldaten, geen journalisten in uniform.

In een slotbeschouwing schrijft Groeneveld dat de Kriegsberichter in uiterlijk niets van andere soldaten verschilden, en onder de krijgstucht vielen, maar niet aan de gevechten deelnamen. `Ze moesten wel eens naar hun wapens grijpen in plaats van naar camera of pen, maar waren primair aan het front voor reportages.' In tegenspraak hiermee citeert hij echter ook uitvoerig Nederlandse SS-oorlogsverslaggevers die zelf te kennen gaven dat de PK-man in de eerste plaats soldaat was. `De berichter maakt de aanval mee, vecht en schiet zooals zijn kameraden, denkt daarbij echter voortdurend: ,,Jongens, mijn PK-bericht!''', getuigde één van hen in het nationaal-socialistische `vakblad' De Nederlandsche Journalist. Ook de radiomensen bij de SS beroemden zich op `de frontinzet van den radiospreker zelf'.

Het vermelden van locaties, eenheden of personen was vanzelfsprekend verboden. Maar de nazi's regisseerden ook de publicatie van de berichten van hun PK-mannen. Zo voorzag het Referat Bildpresse de foto's van de SS-PK niet alleen van het stempel `vrijgegeven door de Duitsche Censuur', maar ook van een kleurmerk. Rood betekende dat kranten verplicht waren de foto op te nemen, blauw dat plaatsing sterk werd aanbevolen en wit dat redacties zelf mochten kiezen.

Met de actualiteit hielden de Nederlandse Kriegsberichter zich niet bezig. Zij moesten in `soldateske' bewoordingen `frontindrukken' geven en kond doen van onverschrokkenheid en kameraadschap versus de `verdierlijkte' mentaliteit van `een verdierlijkt volk'. Het was hen zelfs niet toegestaan te melden dat de nazi's in Rusland vochten tegen Russen – uitsluitend als bolsjewieken, bandieten en Untermenschen mocht de vijand worden aangeduid.

Groeneveld geeft talloze voorbeelden van deze `primitieve propagandataal' Eerst was er de `snelle opmarsch tegen een troostelooze grauwe, totaal verdierlijkte horde bolsjewieken'. Na Stalingrad ging het over de heldhaftige verdediging. Over de invasie in Normandië meldde de Nederlandse PK-SS dat de joden van Wallstreet geen bevrijders maar moordenaars stuurden.

Scherpschutters

Het antisemitisme van de Kriegsberichter beperkte zich in de gepubliceerde berichten tot algemeenheden over de `funeste invloed van het jodendom op de Germaanse volken'. In het dagboek van PK-man Rademaker, die bij de SS-pantserdivisie Wiking diende, vond Groeneveld wat meer persoonlijke noten: `De 1e kompanie benutte zijn vrije tijd om joden dood te schieten die ``Partisanenkrieg'' gevoerd hadden. Voor deze beesten was geen andere oplossing. De scherpschutters traden aan – 2 bij 2 werden ze doodgeschoten. Ze tuimelden in het graf dat ze zelf gegraven hadden.'

Aan het slot van zijn studie schildert Groeneveld een aantal portretten van Nederlandse PK-mannen. Ondanks enige overlappingen is dat een mooie aanvulling. Hoe is met hen afgelopen? Met Hakkie Holdert van De Telegraaf, de dichter George Kettman, de Einzelgänger Hommes, om enkele beruchte SS-ers te noemen? Zij kozen in 1945 het hazenpad, verbrandden hun uniformen, doken onder of vluchtten naar het buitenland. Willem Sassen wist het in Argentinië tot voorlichter van dictator Perón en ghostwriter van Adolf Eichmann te schoppen. De meesten werden gegrepen en veroordeeld tot gevangenisstraffen tussen drie en vijf jaar. Een enkeling bracht het alsnog tot journalist, zoals Joop Pollmann, die redacteur werd van Libelle en zijn carrière afsloot bij het weekblad Story.

Gerard Groeneveld: Kriegsberichter. Nederlandse SS-oorlogsverslaggevers 1941-1945. Vantilt, 424 blz. €29,90