Verslaafd aan zorgen

Gerard Woodward (Londen, 1961) publiceerde drie dichtbundels voordat hij aan romans begon. Wie I'll Go to Bed at Noon uit heeft, wordt nieuwsgierig naar die dichtbundels, en naar zijn eerste roman, August. Deze schrijver heeft iets bijzonders; ook in proza produceert hij poëzie, liefdevol en nuchter tegelijk.

In I'll Go to Bed at Noon boeit Woodward ruim vierhonderd pagina's lang met het relaas van de teloorgang van een alcoholistisch gezin. Er zijn een paar ups, er zijn tamelijk veel downs. Afgezien van een vakantie op een uitgedroogde gemeentecamping tijdens een hittegolf, speelt alles zich af in een paar straten in het noorden van Londen en in een respectabel aantal pubs. De familie Jones drinkt onder meer in The Flowerpot, in The Goat & Compasses, in The Red Lion, The Quiet Woman en The Carpenters Arms. Hun zoon Janus wordt uit al deze pubs verbannen. Ook oom Janus Brian, de broer van moeder Colette, komt niet in de pub. Na de dood van zijn vrouw drinkt hij liever thuis de brouwsels uit zijn eigen tuin. Als de tomatensherry en de wortelwijn op zijn, probeert hij alcohol van schoensmeer te maken.

Colette is een lijmverslaving te boven gekomen, en houdt zich nu in evenwicht met slaapmiddelen en korenwijn. Vader Aldous handhaaft zich door zich terug te trekken in de voorkamer, waar hij King Lear leest en een fontein ontwerpt. Aldous is leraar, maar heeft kunstzinnige ambities – pas later begint hij aan de whisky. De oudste zoon is het huis ontvlucht en studeert, de dochter woont samen met een alcoholistische slager. De tweede zoon, Janus is een begenadigd pianist die zijn talent nooit zal waarmaken. Janus' drankzucht is van een gevaarlijk-destructieve soort; hij terroriseert zijn familie systematisch.

I'll go to bed at noon is tegelijk nachtmerrie en klucht. Als Colette op een dag het bad laat leeglopen, staat de keuken onder water. Janus heeft de loden waterleiding weggezaagd en verkocht voor drank. De jongste zoon, de tienjarige Julian, is op een avond alleen thuis. Hij ligt in bed te lezen als zijn broer door het slaapkamerraam naar binnen klimt. Er klimt een hele rij dronkaards achter hem aan.

In de kleine Julian valt zonder veel moeite de kleine Woodward te herkennen. Het boek is autobiografisch, maar het heeft niets van doen met het gemiddelde, nauw-verhulde ik-verslag van een ongelukkige jeugd, al was het alleen maar omdat de familie niet bijzonder ongelukkig is – met de liefde is bijvoorbeeld weinig mis. Evenmin is in I'll Go to Bed at Noon – de mooie titel is een regel uit Lear – de sensatiezucht te vinden waarmee in Nederland bijvoorbeeld de familie Tokkie wordt bejegend.

Nee, Woodward, opgeleid als antropoloog, transformeert emoties in plaats van ze te benoemen. Alledaagse vreugdes en hartverscheurende dronkemanscatastrofes zijn vervat in nauwkeurige observaties van gewone dingen. Het huis van Colette en Aldous, waarin uiteindelijk alleen Aldous zal overblijven, is bijna een extra personage. De troep in de voortuin, de inhoud van de keukenkastjes, de onwennige vreugde om de nieuwe badkamer; bij Woodward ademen die alledaagse details een bijna tastbare nestwarmte. De zenuwslopende dreiging die van zoon Janus uitgaat ligt besloten in de reflexmatige gedachten van zijn ouders. `Ik weet zeker dat het binnenkort rustiger wordt, zei Colette, en ze deed de voordeur dicht voordat haar dochter de kans kreeg het met haar oneens te zijn.'

Voor Colette richt Woodward een monument op, alleen door telkens gedetailleerd te vertellen hoe ze broer Janus Brian uit zijn eigen uitwerpselen vist, wast en aankleedt en wat ze hem vervolgens te eten geeft, waarna ze naar huis gaat in de hoop dat zoon Janus zich die avond rustig zal houden. Tegen beter weten in blijft Colette hangen aan haar zoon, toch eigenlijk een artiest die extra aandacht nodig heeft. Dat Colette aan zorgen veel sterker verslaafd is dan aan drank blijkt pas als zorgen niet meer hoeft. Dan teert ze meteen weg.

Van een plot is nauwelijks sprake in I'll Go to Bed at Noon. De dood van Janus Brian wordt nogal stiefmoederlijk behandeld, net als de tijd waarin het boek speelt, de jaren voorafgaand aan Thatcher. Maar het gebeurt niet vaak dat een roman je transformeert tot loyaal lid van een gezin waar je in werkelijkheid nog niet naast zou willen wonen. De Booker Prize voor Gerard Woodward; de bookmakers achten het onwaarschijnlijk, maar onverdiend zou die niet zijn.

Gerard Woodward: I'll Go to Bed at Noon. Chatto & Windus, 437 blz. €23,05