Vernieuwing is vernieling

Constance Wibaut versloeg als eerste Nederlandse moderedactrice zowel schrijvend als tekenend de Parijse shows. In 1955 penseelde ze Diors wijduitstaande A-lijn. In 1965 vereeuwigde ze de minimode van Courrèges.

In haar Amsterdamse atelier bladert Constance Wibaut (1920) door haar mode-illustraties. Ze voelt de zenuwen van toen weer opkomen. ,,Ik moest in zeven minuten een model schetsen, direct met inkt, nou dat is wat hoor. Je kan niks overdoen.'' Ze laat een paar tekeningen zien, spontane schetsen van mannequins in legendarische couture uit de jaren zestig en zeventig.

Het Haags Gemeentemuseum bezit maar liefst tweeduizend van haar tekeningen. Haar totale oeuvre. Enkele illustraties die ze tussen 1953 en 1971 maakte voor Elseviers Weekblad hangen nu nog in de Haagse Modegalerij. Een vlotte schets uit 1956 toont een model in het bekende Chanelpakje. ,,Wat maakte Coco Chanel toch burgerlijke kleding'', zegt Wibaut. Haar werk hangt in Den Haag naast dat van haar tijdgenoot en voorbeeld Gruau (1910-2004), die tot in de jaren zeventig de meest toonaangevende modetekenaar was.

Constance Wibaut is bezorgd. De Haagse Modegalerij moet weg van de nieuwe directeur Wim van Krimpen. En wat gebeurt er met haar oeuvre? ,,Rudi Fuchs heeft destijds op papier gezet dat mijn werk niet vervreemd mag worden.'' Die oude afspraak stelt niet gerust. Wibaut is ook bang dat het museum – met Europa's grootste kostuumcollectie – zal inkrimpen. Nooit is ze het moment vergeten dat Fuchs tijdens een tv-uitzending in 1991 van Sonja Barend bij wijze van lachertje ,,antiek ondergoed op zijn hoofd zette om duidelijk te maken waar hij zich in Den Haag mee bezig moest houden''. Het huidige plan voor de verbouwing van de Modegalerij tot `virtuele Wonderkamers' stemt Wibaut treurig. ,,Het is cultuurbarbarisme en kapitaalvernietiging. Er is zes jaar geleden veel in geïnvesteerd, ook door sponsors.''

Over de bewering van Van Krimpen dat de modeafdeling vooral bezocht wordt door dametjes uit Wassenaar zegt ze: ,,Nou en? Zijn er in de rest van het museum dan wel jeugdhordes? Ik was laatst op de Egon Schiele tentoonstelling in het Gemeentemuseum en ik heb nog nooit zoveel rollators, rolstoelen en stokken gezien.''

Mooi uitgelicht in grote vitrines, zo ziet Wibaut het liefst de topstukken van haar favoriete couturiers als Balenciaga, Madame Grès en Pucci – wier ontwerpen ze allemaal tekende en die ze persoonlijk kende: ,,Dol waren ze op mijn tekeningen.''

Constance Wibaut, kleindochter van de bekende Amsterdamse wethouder Wibaut, werd aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam opgeleid tot beeldhouwster. Op aanraden van haar vader – hoogleraar organische chemie aan de Universiteit van Amsterdam – leerde ze naast het onzekere kunstenaarsbestaan het vak kostuum naaien. De patroon- en materiaalkennis kwam later van pas bij haar carrière als mode-illustrator.

Na de oorlog vertrok ze, het was 1946, naar Amerika met haar toenmalige echtgenoot, de portretschilder Willem Kouwer Boomkens. ,,Ik kwam aan in dat enorme New York, zonder een cent op zak en dacht: wat moet ik hier? Op de Rijksakademie had ik geleerd om houtskooltekeningen te maken, maar in New York interesseerde dat niemand. In dagbladen stonden geen modefoto's maar gewassen tekeningen, zo ging ik ze ook maken. Ik kwam terecht bij Women's Wear Daily.'' Deze krant maakte vijftig pagina's per dag over kleding en mode en had een dagelijkse oplage van 2,5 miljoen exemplaren. Wibaut vertelt hoe ze twee jaar lang langs confectionairs ging – in the market zoals dat heette – om kleding te tekenen. Van een goedkoop jurkje op een hangertje moest ze iets begeerlijks maken. ,,Als ik terugkwam op de redactie werden mijn tekeningen gekeurd. Maar WWD was een vreselijk bedrijf. Het was de tijd van de New Look, vrouwen kwamen met zúlke rokken en zúlke hoeden op de redactie, die hielden ze binnen op. Zo zaten ze dan aan de telefoon te ratelen, in de la een fles whisky. Het was er een rotherrie, niet leuk om te werken. Maar ik leerde er wel `leesbaar' tekenen. Als ze me vroegen: hoe zit dat kraagje, dan kon je niet zeggen: dat zit gewoon. Nee, niks is gewoon. Je moest precies tekenen. Hoe goedkoper de jurk, hoe belangrijker ieder stikseltje.''

Dikke lijn

Bij WWD leerde Wibaut mode illustreren. De bekendste tekenaar in die jaren was Gruau. Hij deed prestige-advertenties, bijvoorbeeld voor Dior. ,,Ik was beïnvloed door hem en tekende met net zo'n dikke lijn. Gruau had zijn stijl trouwens weer afgekeken van Toulouse-Lautrec. Later ben ik losser en vrijer gaan tekenen, waarschijnlijk maakte ik me minder druk.''

Na twee jaar Woman's Wear Daily keerde Wibaut kort terug naar Amsterdam om in 1948 haar eerste beeldhouwopdracht – een beeldengroep voor de Woningbouwvereniging De Dageraad – voor de Amsterdamse wijk Bos en Lommer te maken. Terug in Amerika ontmoette Wibaut in Texas president-directeur Klautz van Elseviers Publishing Company. Hij wilde dat ze naar Nederland kwam om een vrouwenkatern op te zetten voor zijn weekblad. Wibaut dacht er niet over. Ze gaf ook les in fashion design aan de University of Houston, het ging haar net goed. ,,Ik heb zoveel gevraagd dat ik dacht: dan hoeven ze me niet. Doen ze het wel, dan zitten we goed. En dat lukte. Bij terugkomst, in 1953, vond ik Nederland een dubbeltjesland. Werkende vrouwen waren taboe. Mijn familie wilde niet dat ik de naam Wibaut gebruikte, dat vonden ze beneden alle peil. Of ik niet een andere naam kon gebruiken.''

Wibaut was de eerste Nederlandse redactrice die ook als modetekenares verslag uitbracht van de coutureshows in Parijs. Na afloop van elke coutureshow tekende ze de trends van créateurs als Fath, Chanel, Givenchy en Cardin. Met scherpe lijnen penseelde ze in 1955 Diors beroemde wijduitstaande A-lijn. In 1965 vereeuwigde ze de jeugdige minimode van Courrèges.

Haar eerste show was bij Jacques Fath. ,,Ik was net terug uit Amerika en zat op de eerste rij. Achter mij zaten de Hollandse verslaggeefsters, Let Voûte van De Telegraaf en Marike Schröder van Het Vrije Volk. Toen de eerste mannequin werd binnengeroepen in een model uit de Ligne Tulipe, hoorde ik roepen: Dat is een bespottelijk pak! Dat was Eva Pennink van het Algemeen Handelsblad.'' Wibaut vond het evenmin elegant. De jurk met plooien rondom de heup was ongeschikt voor de Nederlandse vrouw. ,,Daar selecteerde ik op. De meeste meisjes die over de mode schreven, pikten eruit wat ze zelf leuk vonden om te dragen.''

Wibaut tekende en beschreef de modetrends tussen de shows in Parijs en Rome door, leerde wat doorbrak in de mode, wat nieuw was. ,,Na de shows werkte ik me te pletter. Ik schreef de teksten op maat en deed alles alleen.'' Wibauts tekeningen waren helder, niet puur illustratief en nostalgisch als je in die tijd veel zag, zoals bijvoorbeeld bij Christian Bérard, die voor Schiaparelli en Chanel tekende. ,,Toen Elsevier halverwege de jaren zestig met een tabloid uitkwam, ben ik ook gouaches gaan maken. In mijn vrije tijd ben ik blijven beeldhouwen, maar en principe was ik een tekenaar. Als ik tekende was ik gelukkig; en dan moest er nog een stuk tekst bij.''

Capucci

Ze had bewondering voor couturiers. Balenciaga vond ze de absolute top. Dior was chic en smaakvol, helemaal toen Yves Saint Laurent de in 1958 plotseling overleden Dior opvolgde.

Ze was bevriend met Pucci, wiens après-ski outfits, de Capri-broek, de psychedelisch gedessineerde jurken en de Italiaanse markies zelf bijzonder in de smaak vielen bij een internationaal gezelschap jetsetters dat bestond uit adel, rijken en sterren. Met zichtbaar genoegen denkt Wibaut terug aan de charmante Pucci: ,,Jarenlang ontving ik een door hem zelf ontworpen zakdoek, tot hij overleed.'' Prachtig vond ze ook de architectonische ontwerpen van de jonge Italiaan Capucci. Na moeizaam onderhandelen kreeg ze in de uitverkoop een Capucci-mantel van vijftienhonderd gulden betaald door haar werkgever Elsevier. ,,Ik moest me waar maken in Parijs. In een Berghaus-manteltje zagen ze me niet staan.''

Ze droeg ook de ingenieus gedrapeerde ontwerpen van de legendarische Madame Grès, die haar altijd bedankte voor haar publicaties.

Wibaut werd een autoriteit. Voor het Dames Mode Instituut reisde ze jarenlang vanaf 1968 acht keer per jaar naar Parijs, om bij terugkomst prognoses te geven aan de Nederlandse confectie-industrie over de komende kleuren en belijning en natuurlijk de aanstaande roklengte. Ook tekende ze voor het modevakblad International Textiles.

Als meest revolutionaire modemoment herinnert ze zich niet de gewaagde, transparante blouse van de jonge Yves Saint Laurent die in 1968 elke krant haalde. ,,Die was zo weer verdwenen.'' Wat haar betreft kwam werkelijke revolutie uit Londen: de minimode. `Lolitamode' noemt ze het. ,,Kon mijn dochter eindelijk iets dragen wat ik niet aankon.''

Wibaut kon streng zijn. In haar boek Mode en stijl uit 1958 schrijft ze: `Tussen de Nederlandse vrouw en de mode staan twee schier onoverkomelijke hindernissen: de boodschappentas en de makkelijke schoenen.' Ze schiet in de lach bij het horen van die zin: ,,Het is nog altijd zo. Er bestaan toch ook schoenen waar je op kan lopen die niet zo vreselijk lomp zijn.'' Vanzelfsprekend ziet de 84-jarige er zelf in haar vlotte jeansrok en keurige, halflange leren jasje onberispelijk uit.

Toen de couture in de jaren zestig verdween, was het volgens Wibaut voorbij met de mode. ,,Met de komst van de hippies en hun omgekeerde geitenjassen hield de mode op. De dictatuur van het proletariaat heerste en daar werden de vlaggen voor gehesen.'' Confectie kan zonder de couture niet bestaan en couture bestaat niet meer zoals vroeger. Vroeger was mode wereldnieuws en kwam het op de voorpagina. Er zijn genoeg mooie kleren, maar het is geen mode meer.

Constance Wibaut hield er begin jaren zeventig mee op. ,,Kranten wilden toen redactrices met groene kousen en groen haar. Elsevier had begin jaren zeventig zogenaamd geen geld meer om me naar Parijs te sturen. Kon ik eindelijk eens met vakantie. Ik zei tegen het secretariaat: koop de Paris Presse en France Soir, dan maak ik een stuk als ik terugkom.'' Bij terugkomst las Wibaut in Elsevier een verslag over de Franse mode alsof iemand er bij was geweest. Het werd een rel. ,,Toen ze niet wilden rectificeren ben ik weggegaan. Ik heb de krant nooit gemist.''

Beeldhouwen

Wibaut is altijd blijven beeldhouwen. Haar meest recente openbare beeld dateert uit 1999: een monument van Arie Keppler, de eerste directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. Ze maakt vooral portretkoppen, bijvoorbeeld van ontwerper Benno Premsela, medestudent van Wibaut op de progressieve Nieuwe Kunstschool, een opleiding in de stijl van Bauhaus. Uit de toneelwereld portretteerde ze Ellen Vogel in brons, Ton Lutz maakte ze in terracotta. Aan de muur van haar atelier hangt een herinnering uit haar modeverleden: een bronzen plaquette van haar oud-collega modejournaliste Eva Pennink – met haar bleef Wibaut bevriend.

Weer schampert ze over de vernieuwde modeafdeling van het Haags Gemeentemuseum die volgend jaar open zal gaan: ,,Zouden de mensen nou werkelijk zitten te wachten op die virtuele wonderkamers waar mensen op knopjes kunnen drukken?''

Voor Constance Wibaut is het woord vernieuwing een gruwel: ,,Het staat gelijk aan vernieling'', en het herinnert haar aan de neergang van couturier Pierre Cardin. ,,Die moest ook zo nodig vernieuwen. Ik dacht toen, ach man het was mooi wat je deed, gooi dat toch niet allemaal weg. Inkopers wilden op een gegeven moment zijn kleding niet meer. En het publiek? Dat wil nooit zo veel.''

`Mijn familie wilde niet dat ik de naam Wibaut gebruikte'

`In een Berghaus-manteltje zag Parijs me niet staan'