Verliefd op de onbetrouwbare taal

Hij schreef scherp, humoristisch en absurd. Vorige week overleed de vader van het deconstructivisme, de filosoof en schrijver Jacques Derrida. Tot het eind van zijn leven maakte hij jacht op de verborgen tegenstellingen en vooroordelen in de taal.

Het leek een wrange ironie, toen vorig jaar in Frankrijk de verzamelde lijkredes en rouwteksten van de filosoof Jacques Derrida verschenen. Chaque fois unique, la fin du monde bracht de herinneringsgeschriften bijeen die Derrida in de afgelopen tien jaar gewijd had aan zijn dierbare doden: van Roland Barthes (overleden in 1980) tot de nog maar net gestorven Maurice Blanchot. Tussen hen in klonken namen van filosofen als Michel Foucault, Louis Althusser, Gilles Deleuze, Emmanuel Lévinas en Jean-François Lyotard.

Vrijwel op hetzelfde moment werd bekend dat bij Derrida zelf alvleesklierkanker was vastgesteld. Dat maakte Chaque fois unique, la fin du monde plotseling tot een ander boek. Het adieu dat erin vele malen werd uitgesproken, leek nu het afscheid te zijn geworden van een man die zelf zijn dood zag naderen. Toch liet het einde nog langer op zich wachten dan voorzien. In de eerste helft van dit jaar leek Derrida zelfs te herstellen. Maar tenslotte kwam voor hem precies een week geleden – zoals de titel zei – het einde van de wereld, iedere keer weer uniek.

Vierenzeventig jaar eerder, in 1930, werd Derrida geboren in El-Biar, bij Algiers, uit geseculariseerde joodse ouders. Hij studeerde filosofie aan de prestigieuze École normale supérieure in Parijs en korte tijd aan Harvard University, terwijl zijn ster begon te rijzen als vernieuwend filosoof die zich even gemakkelijk op het gebied van de wijsbegeerte als van de literatuur begaf. In mei 1968 hield hij op een colloquium in New York een baanbrekende voordracht, waarin hij het existentialistische humanisme naar de schroothoop verwees, zoals hij dat twee jaar eerder al had gedaan met het structuralisme. De toekomst zou zijn aan een filosofie met Nietzsche en Heidegger als bakens.

Gedurfd was die keuze wel, gezien de politieke erfenis die beide denkers met zich meedroegen. Maar de aantrekkingskracht van een filosofie die het hele begrippenkader van niet alleen de wijsbegeerte maar ook de wetenschap en de politiek onder vuur nam, was groot genoeg. De eindeloos kleine verschillen (differenties) die de werkelijkheid kenmerken zijn zo subtiel dat ons begrippenkader de realiteit altijd vervalst, zo stelde Derrida mét Nietzsche vast. Deze `differentie-filosofie' kondigde zich aan als een nieuwe ideologiekritiek, terwijl die van het marxisme langzaam begon te verbleken.

Vooral in de Verenigde Staten vond zijn denken weerklank, zij het nauwelijks in filosofische kringen. Het waren de letterenfaculteiten en de cultural studies die in zijn benadering een uniek instrument ontdekten voor de ontmanteling van ogenschijnlijk onwrikbare tegenstellingen binnen de filosofie én in de maatschappelijke verhoudingen. Zijn tegenover schijn, hoog tegenover laag, maar ook minder abstract-filosofisch: man tegenover vrouw, wit tegenover zwart en west tegenover oost. In al die ogenschijnlijk neutrale begrippenparen ontrafelde Derrida een geheime hiërarchie die onbewust de één boven de ander plaatst en zo de wereld al in een rangorde heeft ingedeeld nog voordat het denken goed en wel is begonnen.

`Deconstructie' noemde hij die kritische analyse van wat maar al te vanzelfsprekend lijkt. Hij vormde het woord als een vertaling van Heideggers Abbau (afbouw), maar het ging al snel een eigen leven leiden, los van de filosofische context waarin het wortelde. Deconstructie werd vooral in Amerika een methode waarmee in literaire en andere teksten verborgen tegenstellingen en vooroordelen werden bloot gelegd en black-, gay- en women studies hun kritiek konden formuleren op wat binnen de maatschappij als normaal en dus normgevend gold.

Terwijl Derrida in Amerika grote triomfen vierde, bleef hij in Frankrijk lange tijd een randfiguur van het filosofische leven. Wellicht had hij het daar zelf naar gemaakt. Hij stelde zich op als een bedrijver van wijsgerig grensverkeer, die beurtelings sprak van binnen en van buiten het gebied waarvan hij de grondslagen bekritiseerde. Net als Nietzsche was hij evenzeer een literator als een filosoof, en in 1972 gaf hij aan zijn wellicht belangrijkste essaybundel de programmatische titel Marges van de filosofie mee.

Derrida was verliefd op de taal, die hij, met het woordenboek in de hand, uitbuitte tot in haar meest uitzinnige en humoristische mogelijkheden. Maar liever dan over taal sprak hij over `schrift' (écriture) en het was veelzeggend dat hij zich in zijn eerste belangrijke boeken, De la grammatologie (Over grammatologie) en L'écriture et la différence (Schriftuur en differentie, beide uit 1967), genoopt zag dit tegenover de filosofische minachting in bescherming te nemen.

Dat wekte enige verbazing. Was de filosofie niet bij uitstek een bezigheid die zich in boeken en andere geschriften ontvouwt? Toch wist Derrida aan de hand van talrijke denkers – van Plato tot Rousseau, van Hegel tot Lévi-Strauss – aan te tonen dat schrift-fobie bijna een filosofisch topos is. Door de eeuwen heen klinkt het wantrouwen tegen een medium (de geschreven taal), waarin de schrijver zijn greep op het geschrevene maar al te gemakkelijk verliest, omdat het ook buiten zijn aanwezigheid om zelfstandig blijft doorwerken.

Bij het spreken is de controle over wat gezegd wordt daarentegen zo groot, dat het medium verdwijnt. Het ene bewustzijn lijkt direct toegang te hebben tot het andere, zonder ruis en zonder misverstanden die niet direct corrigeerbaar zijn. Daarom heeft de filosofie, aldus Derrida, de stem altijd tot model genomen van de ideale vorm van verstandhouding en komt het schrift er zo beroerd af, als belichaming van alles wat de filosofie nu juist niet probeert te zijn. Het is onbetrouwbaar, onhelder en op een ongemakkelijke manier materieel, in plaats van geest te zijn.

Schrift tegenover stem was het eerste begrippenpaar dat Derrida in hun ideologische vooringenomenheid `deconstrueerde'. Want in werkelijkheid, zo stelde hij vast, zijn de kenmerken van het schrift óók van toepassing op de stem. Wat we zeggen is veel minder eenduidig dan we denken, en wat onze woorden betekenen is nu eenmaal niet afhankelijk van onze bedoeling. We zijn in de taal weliswaar niet geheel verloren, maar ons houvast is lang niet zo betrouwbaar als de grammatica en het woordenboek ons voorspiegelen.

Die vaststelling is Derrida op veel kritiek komen te staan, vooral van Angelsaksische taalfilosofen. Waar de een onzekerheid en onbeslisbaarheid zag, zochten de anderen de helderheid van de welgevormde zin met een eenduidige betekenis. Voor Derrida was dat de omgekeerde wereld. In zijn ogen was er éérst de taal, die zich vanuit een betekenisloos geruis tot een nog altijd tamelijk anarchistische betekenis ontwikkelde, en kwamen pas daarna de grammaticale regels die daarin orde probeerden te scheppen, ongeveer zoals bij Freud het bewuste tracht het onbewuste te beheersen.

Derrida was er juist op uit die woestheid, vergelijkbaar met dat onbewuste, te ontketenen en hij maakte zijn eigen boeken vaak tot het schouwtoneel daarvan. Hij speelde met woorden een duizelingwekkend spel, dat van lezers veel aandacht eiste. Liever dan zakelijk zijn argumentatie voor te leggen, schreef hij als een literator die de woorden suggestief hun werk laat doen. Er sprak uit zijn schrijven een tekstplezier dat hem verwant maakte aan Roland Barthes, de eerste aan wie hij in Chaque fois unique herinneringen ophaalt. Maar Derrida permitteerde zich in zijn dadaïsme soms ook een zo grote speelsheid dat velen hem als onleesbaar beschouwden en zijn filosofische capriolen hoofdschuddend aanzagen.

Exemplarisch was de polemiek der doven die in 1977 losbarstte tussen de Amerikaanse filosoof John Searle en Derrida, naar aanleiding van diens bewering dat ieder spreken een vorm van citeren is. Vanuit het standpunt van de laatste was dat een logische vaststelling. Als ieder spreken een `schrijven' is, dan dragen ook de woorden die wij gebruiken de betekenissen met zich mee die ze reeds gekregen hebben toen ze eerder werden gebruikt. Terwijl voor Derrida daarmee het verschil tussen citaat en niet-citaat principieel onbeslisbaar werd, putte Searle zich uit in het formuleren van regels op grond waarvan een dergelijk verschil wel te maken viel. Dat beiden daarbij van verschillende intenties uitingen – de een ging het om de primaire wanorde van de taal, de ander juist om de beteugeling daarvan –, werd aan het oog onttrokken door de heftigheid van de discussie, waarin zelfs de juridische grondslag van het copyright in het spel kwam.

Hoe moeilijk de grenzen van het citaat te trekken zijn, bleek toen Derrida in zijn uitvoerige antwoord aan Searle verklaarde diens hele oorspronkelijke artikel bij stukjes en beetjes in zijn eigen tekst verwerkt te hebben. Niet alleen liet hij daarmee zien hoe gemakkelijk het juridische copyright-voorschrift afketst op de praktijk van het taalgebruik, hij maakte daarmee zijn eigen tekst tegelijk tot een voorbeeld van wat in dat stuk zelf beargumenteerd werd. Vorm en inhoud vloeiden samen op een wijze die in de literatuur heel gewoon, maar in de filosofie ongehoord frivool is. Searle kon van Derrida's antwoord dan ook de humor niet inzien. Toen de hele discussie enkele jaren later in een boek gebundeld zou worden (Limited Inc., 1988), verbood hij op grond van zijn copyright dat zijn oorspronkelijke artikel daarin zou worden opgenomen.

Toch moest ook Derrida erkennen dat zijn deconstructie de geaccepteerde waarheden wel aan het wankelen kon brengen, maar dat ook hij uiteindelijk niet om het criterium van de waarheid heen kon. Als immers niets meer eenduidig vaststelbaar is, als niets meer `waar' is, hoe is het dan nog mogelijk te strijden voor mensenrechten of een betere wereldorde? – zo protesteerde de Bulgaars-Franse essayist Tzvetan Todorov al in de jaren tachtig. En wat blijft er nog van de wereld over wanneer alles wat ertoe doet wordt gereduceerd tot taal, schrift en betekenis?, zo voegden anderen daaraan toe.

Tegen de laatsten kon Derrida volhouden dat de werkelijkheid voor ons altijd reeds betekenis heeft, en dus in die zin als een `tekst' kan worden beschouwd. Maar lastiger viel uit te leggen dat zijn kritiek op de `waarheid' juist aan een bekommernis om diezelfde waarheid ontsprong. Het kan er in de filosofie nooit alleen maar om te doen zijn het waarheidsbegrip af te schaffen, zo bezwoer hij het vrolijke postmodernisme van de jaren tachtig, waarvan hij weinig moest hebben. Vaststellen dat waarheid een problematisch begrip is, betekent dat er steeds weer opnieuw, kritischer en beter over moet worden nagedacht. Alleen dan kan het denken werkelijk met zichzelf in het reine zijn, bijvoorbeeld door niet onbekommerd vast te houden aan begrippen die het ten onrechte voor helder en eenduidig houdt.

Om de luciditeit van het denken was het Derrida van begin af aan te doen, net als zijn geestelijke leermeester Edmund Husserl, aan wie hij in het begin van de jaren zestig zijn eerste publicaties wijdde. Had de laatste de psychologie voorgehouden dat zij nooit heldere wetenschap zou kunnen bedrijven zolang ze de begrippen waarmee ze werkte niet eerst logisch had uitgezuiverd, zo hamerde Derrida op de noodzaak van een bezinning op de taal die gebruikt wordt in filosofie, wetenschap of politiek. Paradoxaal genoeg werd hij daarbij keer op keer gedwongen steeds weer opnieuw de vinger te leggen op de onhelderheden die elk van zijn eigen teksten, bij zorgvuldig toezien, bleek te vertonen.

Filosofie werd bij Derrida zo een principiële spelbreker, niet ter verstoring van het spel maar ter aanscherping ervan. Wil het denken niet de dupe worden van zichzelf, dan zal het steeds gespitst moeten zijn op zijn eigen zwakheden en zichzelf er daarmee van weerhouden onbekommerd voorwaarts te stormen. Luttele weken na de aanslag van 11 september ontleedde hij in een lang interview, opgenomen in de onlangs vertaalde bundel Filosofie in een tijd van terreur, langs diezelfde lijnen het begrip `internationaal terrorisme' dat op dat ogenblik de politiek begon te beheersen. Het lijkt een welomschreven zaak aan te duiden waartegenover dan ook met welomschreven middelen `oorlog' kan worden gevoerd. Maar in werkelijkheid, zo stelde Derrida vast, vervluchtigt dat begrip `internationaal terrorisme' bij een logische analyse tot iets ongrijpbaars. Gevaarlijk wordt het vervolgens wanneer op basis daarvan een oorlogsbeleid wordt ontvouwd dat niet alleen gedoemd is een slag in de lucht te blijven, maar daardoor bovendien meer onheil schept dan het kan wegnemen.

In datzelfde gesprek maakte Derrida zich tot een begeesterd verdediger van een kosmopolitische wereldorde, die, zo besefte hij tegelijkertijd, altijd minstens voor een deel utopisch moet blijven. Ook dat, zo benadrukte hij, behoort tot de opdracht van de deconstructie, die niet alleen vernietiging van een oude orde moet willen zijn, maar zich net zo goed wijdt aan de opbouw van iets nieuws waarvan de voltooiing nooit geheel bereikt wordt. De filosofie mag niet politiek zijn door op de stoel van de heerser te gaan zitten. Maar zij moet hem wel steeds weer wijzen op de tekorten in zijn eigen woorden en werken. En van deze tekorten leert de politiek dan dat de droom van een definitieve oplossing de meest catastrofale is.

De Endlösung die de nazi's hadden bedacht voor hun `jodenprobleem' werd dan ook steeds belangrijker voor Derrida, die zich in de laatste jaren van zijn leven opnieuw verdiepte in zijn joodse wortels. Steeds meer voelde hij zich verwant met Emmanuel Lévinas, die hij als jong filosoof scherp bekritiseerd had en die hij in Chaque fois unique een roerend adieu naroept. En steeds meer voelde hij zich, zo blijkt uit dit boek, een overlevende, die één voor één filosofen zag verdwijnen met wie hij na het existentialisme de Franse wijsbegeerte weer toe bloei had gebracht.

Wat na zijn eigen dood overleeft, is een oeuvre van meer dan tachtig boeken en een kleine bibliotheek aan commentaren daarop, verschenen in alle denkbare talen van de wereld. Terwijl het postmodernisme langzamerhand is uitgedoofd en de cultural studies met hun politiek correcte vertakkingen waarschijnlijk hetzelfde lot wacht, blijft het werk van Derrida prikkelen door een filosofische strengheid die zich vaak hult in een mengsel van droge ironie en absurdisme. Bijna steeds vloeien beide tenslotte samen in een penetrante paradox, die als bij toverslag de lezer terugvoert naar een oud filosofisch probleem dat onder een nieuw licht verschijnt. In zijn beste teksten krijgt die denkkracht een bijna magische intensiteit.

Van de ruim tachtig titels die Derrida naliet zijn er enkele te veel. Vooral zijn latere werk lijdt aan wijdlopigheid. Tegelijk probeerde hij nieuwe en bredere wegen te bewandelen, weg van de technische vragen van de filosofie, en te zoeken naar antwoorden op maatschappelijke, politieke en tenslotte religieuze problemen.

Steeds meer raakte Derrida geboeid door het raadsel van de godsdienst en de naam van God, zoals Lévinas die vanuit de Talmudische traditie opnieuw tot klinken had gebracht. Nee, zo houdt hij zich in 1990 bij de begrafenis van Louis Althusser nog voor, laten we ons ervoor hoeden de doden toe te spreken alsof zij ons vanuit een hiernamaals hoorden. `Ik weet heel goed dat Louis mij niet hoort, hij hoort mij slechts in mij, in ons, maar we zijn alleen maar onszelf vanuit de resonantie van anderen in ons.'

`God', zo schrijft hij dertien jaar later op de valreep van zijn eigen dood, `wil alleen dit zeggen: de dood kan alleen een einde maken aan een wereld, zij betekent niet het einde van de wereld.'

Aan het slot van zijn voorwoord bij Chaque fois unique citeert hij Paul Celan, de dichter van de Endlösung bij uitstek: Die Welt ist fort, ich muss dich tragen. Alleen zo kan men de doden doen overleven – en overleeft men misschien zelf op zijn beurt: bij de dood die ieder voor zich moet sterven, steeds weer uniek op de wereld.

Jacques Derrida: Chaque fois unique, la fin du monde (red. Pascale-Anne Brault en Michael Naas), Galilée, 414 blz. €44,– Jürgen Habermas en Jacques Derrida: Filosofie in een tijd van terreur. Gesprekken met Giovanna Borradori. Klement/Pelckmans, 238 blz. €22,90