Tijd voor offensieven in Irak

Op verscheidene plaatsen in Irak zijn Amerikaanse en Iraakse troepen in het offensief tegen rebellen. In drie maanden moet het land zijn gepacificeerd.

De Iraakse interim-regering heeft samen met haar Amerikaanse hulptroepen een groot offensief van financiële aansporingen gemengd met hard geweld ingezet om het land onder controle te krijgen. Twintig tot dertig steden hebben volgens een Amerikaanse militaire inventarisatie een meer of minder groot rebellenprobleem, zo meldde The New York Times vorige week. Binnen drieëneenhalve maand moeten volgens de interim-grondwet verkiezingen worden gehouden, dus dat is de tijd die er voor pacificatie voorhanden is. Alleen verkiezingen houden waar het veilig is, een oplossing die wel is gesuggereerd, zou volgens veel Iraakse leiders de geloofwaardigheid van het democratisch proces vergaand ondermijnen. Maar of het allemaal gaat lukken, is zeer de vraag.

Het huidige offensief begon twee weken geleden op stoom te komen met de verdrijving van sunnitische rebellen uit de stad Samarra. Vervolgens werd een akkoord bereikt met de opstandige shi'itische geestelijke Muqtada Sadr in zijn bolwerk in de shi'itische sloppenwijk Sadr City in Bagdad. Op dit moment zijn duizenden Amerikaanse militairen vanuit de lucht en op de grond in de aanval tegen sunnitische rebellen in Falluja, 60 kilometer ten westen van Bagdad. Ook worden er onder andere Amerikaanse operaties gemeld in Hit, 145 kilometer ten noordwesten van Bagdad, en in Ramadi, 110 kilometer ten westen van de hoofdstad.

De algemene tactiek van de Iraakse en Amerikaanse autoriteiten is door bombardementen de opstandelingen murw te maken en de burgerbevolking, die ondanks de gemelde `precisiebombardementen' ook zwaar te lijden heeft van het geweld, tegen de rebellen op te zetten. In gelijktijdige onderhandelingen worden dan miljoenen dollars beloofd voor plaatselijke wederopbouwprojecten en andere aan de locale omstandigheden aangepaste aanbiedingen gedaan.

Sadr City is een goed voorbeeld van die wortel-en-stok-tactiek. Na wekenlange bombardementen van de sloppenwijk werd afgelopen weekeinde een overeenkomst met Muqtada Sadr bereikt: zijn strijders zouden voor goed geld hun wapens inleveren. Daarnaast beloofden de autoriteiten honderden miljoenen dollars uit te trekken voor bouwprojecten in in Sadr City. Bovendien zouden gevangen strijders die zich niet aan misdaden hadden schuldig gemaakt worden vrijgelaten.

Sadrs strijders meldden zich direct enthousiast bij de politieposten waar wapens voor dollars (een kalasjnikov deed 50 dollar) konden worden ingeleverd – sommigen zijn er naar verhouding rijk van geworden. Maar tegenover The New York Times zei een hoge Amerikaanse functionaris gisteren ,,steeds sceptischer'' te worden dat Sadrs Leger van de Mahdi serieus bezig was zich te ontwapenen. Werkende zware wapens waren een dag voor het aflopen van de tijdlimiet namelijk niet of nauwelijks ingeleverd. Het punt is: Muqtada Sadr weet heel goed dat hij zonder een goed bewapende militie weinig gewicht heeft in een land waar ook reguliere leiders – Koerden, shi'ieten – over een eigen strijdmacht beschikken.

Een ander probleem dat meteen opdook was de vrijlating van gevangen Sadristen. Wat is een misdaad? Volgens een van Sadrs vertegenwoordigers in Bagdad moeten honderden strijders worden vrijgelaten ,,die alleen maar legitieme verzetsacties tegen de bezetter'' hebben gepleegd. Anders is er geen duurzaam bestand. Maar het Amerikaanse leger wil geen gevangenen laten gaan die zich aan geweld tegen Amerikanen hebben schuldig gemaakt.

De sunnitische moslimextremisten en aanhangers van Saddam Hussein die zich in steden als Falluja en Ramadi en ook in het centrum van Bagdad hebben verschanst, vormen een nog veel lastiger probleem. Uiteindelijk hebben Muqtada Sadr en zijn aanhangers als leden van de dominante shi'itische meerderheid, een toekomst in Irak. Maar dat geldt niet of nauwelijks voor de sunnitische rebellen. Met de buitenlandse minderheid onder hen, zoals de Jordaanse terrorist Zarqawi, valt helemaal niet te praten. Maar de Iraakse moslimextremisten en met name de aanhangers van Saddam Hussein – leden van de in de oorlog weggesmolten Iraakse veiligheidsdiensten die volgens Amerikaanse topofficeren nu het grootste gevaar vormen – hebben evenmin veel te winnen bij vrede.

Intussen is nog nauwelijks te merken dat de burgers in de gebombardeerde steden zich van de rebellen afkeren. Integendeel, door de aanhoudende verliezen onder de burgerij blijft volgens berichten uit getroffen steden juist het verzet tegen de Amerikaanse troepen en de Iraakse interim-regering groeien. Daarbij speelt ook de opstelling van de geestelijkheid een belangrijke rol. Bijvoorbeeld de zeer gezaghebbende sjeik Yusuf al-Qaradawi die vorige maand nog eens in een fatwa, islamitisch decreet, uitsprak dat verzet tegen de bezetters van het islamitische land van Irak ,,een noodzakelijke plicht is van de inwoners van het land''.