Terug naar Kampen

Wie had kunnen denken dat Sybren Polet op zijn oude dag (80) nog eens aan een heuse autobiografie zou beginnen? Een driedelige nog wel. Het eerste deel van Een geschreven leven is nu verschenen. De overige twee delen volgen in 2005. In een nawoord bij de herdruk van zijn sprookjesroman De Steen kon hij nog opmerken dat een schrijver eigenlijk geen gezicht hoort te hebben. Zijn werk moest voor zich spreken. Foto's en televisieportretten waren uit den boze. Meer nog dan uit dit soort knorrige opmerkingen, bleek uit Polets weerbarstige werk zelf hoe afkerig hij was van al te grote loslippigheid. Zijn proza is altijd `anders' gebleven: experimenteel, veranderlijk, ongrijpbaar, moeilijk samen te vatten, postmodern zo men wil.

Neem bijvoorbeeld zijn laatste boek, dat een paar maanden geleden verscheen, De dag na de vorige dag. Het is het sluitstuk van een drieluik over het moderne stadsleven, dat zich zowel boven als onder de grond afspeelt, in volkse, verlichte en criminele milieus. En zoals altijd bij Polet treedt er een man in op, Lokien geheten, die een dubbelganger heeft. Na de nodige virtuele en science-fiction-achtige schermutselingen, komt het tot een tamelijk onnavolgbare, maar in elk geval explosieve ontknoping.

Het is daarom verrassend hoe anekdotisch en openhartig Polet, voor zijn doen althans, te werk gaat in Een geschreven leven. Het eerste hoofdstuk over zijn jeugd in het gereformeerde Kampen, is bovendien al meteen erg mooi. We maken kennis met de kleine Sybren, die zijn `flaporen' altijd ver openhield om zoveel mogelijk op te kunnen vangen. Polet geeft een gevarieerd beeld van zichzelf: aan de ene kant een brave oudste zoon, aan de andere kant een waaghals, die voor elke kwajongensstreek te porren was, zodat hij zelfs een keer met de kinderrechter in aanraking kwam. Hij was een kalme observator, maar ook een neuroot met al vroeg trillende handen. Brutaal, maar ook verlegen. Stoer en sportief, maar ook bang in het donker. Sociaal voelend en inlevend, maar soms ook licht agressief. Hij schiet bijvoorbeeld enigszins uit zijn slof als hij melding maakt van een broer die hem een tijdlang in alles nadeed, tot zijn grote ergernis. De broer zou graag de oudste zoon zijn geweest en daarmee de voortrekker van het gezin. Dan heet het even hartgrondig als bijbels: `Graag had ik hem mijn eerstgeboorterecht verkocht voor een schotel linzen.'

Interessant is zijn karakterisering van het typische middenstandersmilieu waaruit hij afkomstig is. Zijn moeder, een ondernemend en bazig type, dat als kind graag in bomen klom en van wilde spelletjes hield, dreef een florerende manufacturenzaak. De goeiige vader van Polet was verstoken van iedere ambitie en liet zich meestal commanderen door zijn vrouw. En dan was er ook nog `aartsvader Abraham', de grootvader, die wordt getypeerd als een stille sigarenroker, die elke dag zijn glaasje brandewijn met suiker nuttigde. Maar één keer per maand liet hij zijn glaasje staan om zichzelf te bewijzen dat hij niet verslaafd was. In navolging van minister-president Colijn die één dag in de maand geen sigaren rookte, `wat een grotere opgave moet zijn geweest dan dat ene glaasje'.

Erg geestig is de passage over de bedrijvige grootmoeder die dol was op pepermunt en radiokerkdiensten. `Ze was voorts nog steeds de overtuiging toegedaan', merkt Polet droogjes op, `dat de aarde plat was, op grond van een bijbeltekst.' Haar kleinzoon zou zich rond zijn achttiende van het calvinisme afkeren, in zijn ogen `een kil, weinig menselijk & hartelijk geloof' om uiteindelijk `een rooie' te worden.

Zijn openhartigheid heeft duidelijk ook grenzen. Zijn doopnaam (Sybe Minnema) wordt nergens genoemd, en hij wekt nergens de indruk dat zijn levensverhaal ook maar enigszins volledig is. Dat hoeft natuurlijk ook niet. Hij leidt ons in dit eerste deel met aanstekelijke hink-stapsprongen door zijn leven, van zijn eerste, vage herinneringen tot 1968 ongeveer, toen Mannekino, zijn elfde boek verscheen. Polet informeert ons, in een afwisselend luchtige en meer plechtstatige stijl over uiteenlopende zaken: zijn inspanningen tijdens de oorlog om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen, zijn relatie met zijn vrouw Cora, zijn beginnende schrijverschap, zijn blauwe maandag als onderwijzer en als antiquair, zijn reizen naar Zweden en Ibiza en door de Sahara, zijn gewenste kinderloosheid, het drama rond de mislukte opvoering van zijn toneelstuk `De koning komt voorbij' in 1965 en zijn vaak moeizame pogingen om van de pen te leven. In 1965 werd, mede door zijn toedoen, het Fonds voor de Letteren opgericht. Maar pas na het zogeheten `tweede Schrijversprotest , in januari 1970, werd een veel groter bedrag aan subsidie ter beschikking gesteld om schrijvers in hun levensonderhoud te kunnen laten voorzien. Daarover hopelijk meer in het komende deel van Een geschreven leven.

Sybren Polet: De dag na de vorige dag. IJzer, 114 blz., €15,50 Sybren Polet: Een geschreven leven. Wereldbibliotheek. 352 blz., €19,90