Strijden met vlag en bijbel

In navolging van andere westerse bevelhebbers in oorlogstijd heeft ook de Amerikaans generaal Tommy Franks, die zowel het Taliban-regime in Afghanistan als dat van Saddam Hoessein in Irak militair wist te wippen, zijn autobiografie geschreven. Franks heeft die campagnes zonder twijfel even knap geleid als zijn verdienstelijk schrijvende collega's Norman Schwarzkopf en de Brit Sir Peter de la Billière die het Iraakse leger in 1991 uit Koeweit verjoegen. Maar Franks verslag van zijn militaire wedervaren wijkt onaangenaam af van dat van zijn twee wapenbroeders. De walm van parmantig patriottisme en gelovige devotie die vanuit dit boek opstijgt, onttrekt de relevante inhoud bijna volledig aan het zicht. Wat wilde deze ghostwriter McConnell? Dat Franks' Texaanse hoofd in Mount Rushmore wordt uitgehakt?

In de eerste helft verschilt Franks autobiografie niet veel van andere boeken in het genre. Franks vertelt hoe hij kikkers vangend en paard rijdend opgroeit in Oklahoma en Texas en daarbij alles van zijn adoptie-ouders leert dat een all american-jongeman moet weten. Hij kan goed leren, maar hij past niet tussen boekenwurmen en andere watjes op de universiteit: Franks belandt in het leger en in Vietnam. En daar ziet hij hoe het militair niet moet.

Bij Desert Storm in 1991 heeft Franks het bevel over een legereenheid die de Iraakse tegenstanders zonder moeite oprolt. Twaalf jaar later mag hij het nog eens dunnetjes overdoen, als opperbevelhebber van een strijdmacht die intussen militair-technologische generaties op de Irakezen vooruit is gelopen. Het moderne militaire bedrijf, waarin computers en draadloze verbindingen een grotere rol speelden dan ooit tevoren, wordt tot in de detail uitgelegd. Daarin sluipt zowaar een fout. Franks zegt dat als één stealth-fighter een trefkans van een half heeft, dat je een doel dan met twee van deze toestellen met honderd procent zekerheid kunt vernietigen. Franks wapens zijn intussen al die jaren dezelfde: een verkreukelde Amerikaanse vlag die hij, soms snotterend, tevoorschijn kan halen en een bijbel die bij zijn favoriete passages beduimeld is geraakt. Het staat er echt.

Franks reconstructie uit eerste hand van de achtbaan van gebeurtenissen waarin de VS in het algemeen en het Pentagon in het bijzonder na de aanslagen van elf september 2001 belanden – `Osama bin Laden, zeg ik. Son of a bitch!' – is voor liefhebbers van het genre niet oninteressant. Dat wil zeggen, als ze tegen militaire afkortingen en jargon kunnen.

Er staan zelfs een paar nieuwe feiten in te lezen. Zo blijkt dat een Amerikaanse dubbelspion het bewind in Bagdad op de mouw weet te spelden dat de grote grondaanval toch echt uit Turkije en Jordanië zal komen. Hierdoor gefopt, blijven Iraakse divisies ten noorden van de hoofdstad nutteloos wachten op een vijand die intussen vanuit het zuiden oprukt. Dat laatste is aardig om te weten, maar je vraagt je wel af of dit soort misleiding nu werkelijk veel invloed heeft gehad: een heet mes gaat bijna net zo snel door de boter als een witheet mes.

Over de huidige bende in Irak hoéft Franks niet veel te zeggen aangezien hij kort na de val van Bagdad afzwaaide. En over de fata morgana van de massavernietigingswapens wíl hij niet veel zeggen. De details van de War on Terror schrijft hij ergens, `laat ik over aan de militaire historici.' Die hebben nog een hoop te doen.

Tommy Franks en Malcolm McConnell: American Soldier. ReganBooks, 590 blz. €45,93