Schommelen van bar naar bordeel

In een serie over vertaalde klassieken deze week Gustave Flaubert: `Reis door de Oriënt' (Vertaald uit het Frans door Chris van de Poel. Met een inleiding van Paul Claes. Atlas, 269 blz. euro18,50)

`Nog steeds in Saigon...' Zo begint de sombere innerlijke monoloog van de Amerikaanse kapitein Willard (Martin Sheen) in Apocalypse Now. Vervuild, naakt, dronken en ontredderd ligt de militair op een hotelbed. Hij slaat de hele boel tenslotte kort en klein, opgejaagd door zijn demonen. Vietnam, de gruwelen die hij heeft gezien (en aangericht), dat alles heeft hem genekt.

Met die openingsscène is Apocalypse Now een fraai contrapunt van de exotische reisliteratuur uit de negentiende eeuw, die in een bezoek aan het Oosten juist een bron zag van nieuwe vitaliteit en levenslust. Victorianen reisden naar Egypte of India om te ontsnappen aan de benauwde beschaving, gefascineerd door de `stille kracht' van mystiek en sensueel leven. Willard ging gewoon naar Azië om zijn werk te doen en Vietcong dood te schieten. De overeenkomst is: al deze westerlingen reizen naar exotische oorden om het beest in zichzelf even van de ketting te laten. Alleen, soms komt daar een lustvolle lobbes uit, dan weer een roofdier. Of zijn die twee dezelfde?

Gustave Flauberts Reis door de Oriënt, waarin de Franse romancier verslag doet van een lange reis door Egypte, Syrië, Libanon en Turkije in 1849 en 1850, behoort tot de klassiekers van het genre. Flaubert, die worstelde met ennui en zenuwinzinkingen, gebruikte de reis om te `herbronnen en ontslakken', zoals dat nu heet, en om inspiratie voor zijn romans op te doen. De naam `Bovary' is volgens de schrijver zelf ontleend aan die van een hotelier (`Bouvaret') in Kaïro. Paul Claes ziet in zijn voorwoord (dat evenals de vertaling van Chris Van de Poel uit 1987 stamt) een overeenkomst tussen de `romaneske melancholie' van Madame Bovary en de lusteloosheid en verveling die Flaubert bij zichzelf wilde uitdrijven in het koloniale Midden-Oosten.

Het opwekken van lust moet aardig zijn gelukt. Nog meer dan andere literaire reisschrijvers uit die tijd, smeedt Flaubert `de Oriënt' naadloos aan lome sensualiteit en seks. Waar hij ook gaat, overal bieden vrouwen zich aan of valt zijn oog op perversiteiten of scabreus gedrag: hij bezoekt een hospitaal waar mannen met geslachtsziekten voor controle hun aars opensperren, ontmoet een gestoorde oude vrouw die `absoluut [wilde] dat ik haar eens naaide' en hem haar `lange slappe tieten' toonde, hoort dat `een tijdje geleden een kindje zich [liet] kontneuken door een aap', enzovoorts. Dát was nu volgens Flaubert `het Oosten', had hij aan het begin van zijn reis al geschreven, `zwaarmoedig en slaapverwekkend [..] je voorvoelt al iets van dat grenzeloze en dat onverbiddelijke waarin je reddeloos verloren wegzinkt.' Seks, dus.

Flaubert gaf zich eraan over. Hij schommelt van bar naar bordeel en stort zich in de armen van een Egyptische prostituee, Ruchiouk-Hanem, een model voor zijn latere Salammbô. De schrijver en zijn mannelijke reisgezel lopen uiteraard geslachtsziekten op, en kennelijk werden de berichten over zijn escapades zo hevig dat Flaubert, terug in Frankrijk, per brief uitlegt dat `de oosterse vrouw niet meer is dan een machine, ze maakt geen onderscheid tussen de ene man en de andere.' De oosterse vrouw is, met andere woorden, een hoer.

Reis door de Oriënt bevat natuurlijk veel meer dan dit soort hitsigheid – krachtige typeringen van ruïnes, stadstaferelen, landschappen – maar toch, Flauberts hang naar exotische seks zet de toon. De vertaling brengt uitstekend naar voren hoezeer Flaubert naar die exotische wereld keek op een `bij uitstek lichamelijke' manier, zoals Edward Said het formuleerde.

Said heeft Flaubert daarom in zijn Orientalism een prominente rol gegeven als een van de niet-wetenschappers die het meest hebben bijgedragen aan de `constructie' van een sensueel, irrationeel Oosten, een spiegelbeeldig paradijs waar westerlingen hun fascinaties kunnen uitleven. Maar hij was lang niet de enige. De Britse avonturier en amateur-etnograaf Richard Burton zwijmelde in dezelfde tijd ook weg bij `de monotone melodie van de Oost', en krabbelde alle curiositeiten bij elkaar die hij kon verzamelen over homofilie, vrouwenbesnijdenis en de penissen van zwarte mannen. Michel Houellebecque, met zijn wrange liefdesbetuiging aan de Thaise seksindustrie in Plateforme, vormt anderhalve eeuw later de cynische bekroning van deze fascinatie. Vast niet de laatste. In Robert Ankers – helemaal niet cynische – Hajar en Daan vraagt het personage Daan zijn allochtone vriendinnetje de eerste keer dat hij met haar naar bed gaat, haar hoofddoekje op te houden.

De vertaling van Chris van de Poel heeft de tand des tijds goed doorstaan. Maar een nieuw, eigentijdser voorwoord was wel op zijn plaats geweest. Paul Claes gaat mooi in op Flauberts karakter en werk, maar over de context van dit type Europese reisliteratuur word je niet veel wijzer. Sterker nog, Claes lijkt blind te varen op Flaubert: `Egypte [bleek] inderdaad een seksparadijs. Op alle straathoeken boden inboorlingen van uiteenlopende charme en leeftijd zich aan'. Hij noemt Saids krtiek niet eenmaal, en oppert in plaats daarvan het boek `als alternatieve reisgids' te gebruiken. Dat kan nog heel goed want `het oosterse leven evolueert trager dan het westerse'. Als Claes bedoelt dat de piramides er nog staan, of dat men `hier en daar nog de waterpijp ziet roken', is dat waar. Maar overigens is zulke stelligheid over een evolutionair tempoverschil tussen `oosters' en `westers' leven domweg een vooroordeel. (Voor wie het toch wil proberen: neem óók een normale reisgids mee, met Reis door de Oriënt vind je geen cybercafés en pinautomaten).