Miskend in eigen land

De sociale en maatschappelijke structuur van de koloniale samenleving van het voormalige Nederlands-Indië was complex. De officiële wetgeving kende slechts drie groeperingen, de `Inlanders, Vreemde Oosterlingen en Europeanen'. Maar de grenzen tussen deze groeperingen zijn nooit scherp afgebakend geweest. Een van de oorzaken daarvan ligt in de verbintenissen die werden gesloten tussen blanken en Aziaten. Hieruit kwamen de zogenoemde peranakans (landskinderen) voort. Zij vormden de Indo-Europese gemeenschap, geboren en getogen in de kolonie. Gemengde huwelijken waren zeker geen uitzondering. Opmerkelijk is daarentegen wel dat de lotgevallen en de geschiedenis van de Indo-Europeanen nauwelijks op wetenschappelijk verantwoorde wijze zijn beschreven.

Daarin is verandering gekomen met de voorbeeldige reeks `De geschiedenis van de Indische Nederlanders', waarvan nu het derde deel is uitgekomen, In Indië geworteld, over de periode 1920-1960. Eerder verschenen De oude Indische wereld, door Ulbe Bosma en Remco Raben, en De uittocht uit Indië van Wim Willems. Hans Meijer, onderzoeker aan de Universiteit Utrecht, belicht in het derde deel de woelige periode van de laatste decennia van de koloniale tijd en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Net zoals de eerdere uitgaven is deze omvangrijke studie onthullend in de manier waarop de blik zich richt op een bevolkingsgroep die in feite het koloniale systeem heeft gedragen, zonder dat die groep zich mocht verheugen in belangstelling van Nederlandse zijde. Schrijver Tjalie Robinson, een strijdvaardig voorstander van de emancipatie van de Indo, zag het goed. Terecht citeert Meijer hem. Robinson had een hekel aan de zogenoemde `grote vorming' van de Indo-Europeanen die op gezag van de kleine groepe blanke gezagsdragers zich moesten verdiepen in typisch Nederlandse aangelegenheden. Robinson: `De lesboekjes maakten ons vertrouwd met het leven van de heikneuters en stratemakers, [...] maar wij wisten zo goed als niets van de mensen om ons heen.'

Hans Meijer concentreert zich vooral op de politieke groeperingen als het Indo-Europees Verbond en de Indische Bond die beide een aanzet gaven tot de Indische emancipatiebeweging. Veel Europees-Aziaten bekleedden in de samenleving een `nette' baan, ze werkten bijvoorbeeld als kleermaker of ambtenaar, maar boven hen stonden altijd de blanken die de dienst uitmaakten of die de mooiste baantjes en daardoor het hoogste salaris inpikten. Ze voelden zich sinds halverwege de negentiende eeuw miskend en zelfs misbruikt door de koloniale politiek, die uitsluitend `Neerlandocentrisch' was.

De strijd tegen miskendheid kwam het heftigst tot uiting in de tijd van het Indonesisch nationalisme, 1935-1940. De tragiek van de Indo is dat hij weliswaar Indië als vaderland heeft, maar dat dit land niet als het zijne wordt erkend. Dit `dualisme' loopt als een rode draad door hun geschiedenis. Op boeiende wijze toont Meijer aan dat de Indo-Europese gemeenschap in elke fase van de Indonesische geschiedenis vergeefs heeft gestreden tegen het koloniale gezag dat uiteindelijk betrekkelijk blind was voor deze groep. In Indië geworteld is te beschouwen als een meer dan gerechtvaardigd eerherstel.

Hans Meijer: In Indië geworteld. De twintigste eeuw. De geschiedenis van Indische Nederlanders. Bert Bakker, 489 blz. €27,50