Mijn treurige paaldans

DEBRECEN/FRANKFURT AM MAIN. Niet alleen in Boedapest, en daar zelfs op twee universiteiten, wordt Nederlands gedoceerd, ook in Debrecen, een klein stadje met één tramlijn in het oosten van Hongarije, niet ver van de Roemeense grens, kan men het studeren. Hoewel ik contractueel gezien (als dat het woord is, contractueel) alleen verplicht was een paar colleges in Boedapest te geven, kon ik het verzoek van de universiteit van Debrecen niet weigeren, en besloot ik ook daar een handvol studenten toe te spreken.

De universiteit van Debrecen liet weten dat de treinreis vanuit Boeapest een kleine drie uur zou duren, maar dat ik mee kon met een lid van de vakgroep germanistiek die regelmatig van Boedapest naar Debrecen reisde. Zij heette Andrea Horváth en wij spraken af in Café Barros naast de Ostbahnhof. Omdat ik voor één nachtje Debrecen niet mijn hele koffer mee wilde slepen, beperkte ik me tot mijn computertas waarin ik een onderboek, een trui, een tandenborstel en wat deodorant had gepropt.

Café Barros was nog leeg toen ik er ging zitten, maar na twintig minuten verscheen Andrea Horváth. Zij had pikzwart haar, geverfd vermoedde ik, ze had een grotere koffer bij zich dan ik en verklaarde dat we nu zouden gaan genieten van de Puszta, de Hongaarse laagvlakte.

Onze intercity zou doorrijden naar de Oekraïne en halverwege de reis begaven Andrea en ik ons naar de restauratiewagen om afhankelijk van het aanbod een lichte lunch te gebruiken of alsnog te ontbijten.

In de wagon voor de restauratiewagen kwamen wij een docent van de universiteit van Debrecen tegen, ook een germanist, Paul genaamd, en zo zat ik even later in de restauratiewagen met de halve vakgroep germanistiek aan tafel.

De Puszta was prachtig en de vakgroep germanistiek was dat op geheel eigen wijze ook. Maar het aanbod was beperkt, wij kozen voor een omelet. De dame van de restauratiewagen straalde de sfeer uit van een nachtclub en niet alleen vanwege haar tatoeage. Ook deed ze denken aan bruiden die men kan bestellen uit een catalogus. Een zeventigjarige man uit Kerkrade, lichtelijk onverzorgd, die zijn hart verliest aan een zesendertigjarige vrouw uit Roemenië. Ze werkt in de restauratiewagen. De familie in Limburg is het er niet mee eens, maar staat machteloos: pa verhuist naar Roemenië.

Alles in die restauratiewagen herinnerde mij aan de gewelddadige afloop van de liefde die haar geluk beproefde in het oosten. Er zijn nu eenmaal plekken waar een mensenleven minder waard is dan in Nederland.

Andrea Horváth rukte mij uit mijn visoenen over zeventigjarigen uit Kerkrade. ,,Hoe lang blijf je in Debrecen?'' vroeg ze.

,,Eén nacht'', zei ik.

Het tafelkleed was van plastic, net als de borden en het bestek, en het dienblad, alleen het mandje waarin drie sneden brood zaten, was dat niet. Paul, de germanist, wilde zijn beklag doen over zoveel en vooral zo lelijk plastic. In Hongaarse treinen reist een schrift mee waarin men zijn klachten kan opschrijven.

Hij vroeg om het schrift, het was een oud schrift, men kon de brieven lezen van andere reizigers die zich hadden beklaagd, en Paul begon aan een lange brief.

Ik dacht aan de zeventigjarige uit Kerkrade die in een rolstoel zit, had ik net besloten, maar hij denkt fuck de rolstoel, fuck mijn varkensboerderij en ook mijn familie, ik ga naar mijn Maria Marinara aan de Zwarte Zee. Vroeger slachtte hij zelf zijn varkens en die hingen dan uit te lekken in de schuur boven de fietsen van zijn kinderen. Voor ze naar school gingen moesten ze het bloed van hun zadels vegen.

Dergelijke visioenen komen niet vaak voor, maar ze houden me op de been.

Op het station van Debrecen werden we opgehaald door Gábor, van de vakgroep. In een kleine auto bracht hij me naar mijn appartement. Het was onduidelijk wie er voor mij hadden gewoond, of waarvoor het appartement normaal gebruikt werd. Voor docenten zonder een vast huis in Debrecen? Voor zakenreizigers die liever geen gebruik maken van een hotel? Voor stelletjes die geen plek hebben om zich af te zonderen?

Veel was er, een douche, een keuken, een bed, op het bed lagen lakens, twee kussenslopen en een deken.

Na een dag te hebben doorgebracht op de universiteit, gevestigd in een prachtig gebouw, dat moet gezegd, en na te hebben gegeten met de voltallige vakgroep, keerde ik 's avonds terug naar dat appartement.

In het donker had ik moeite met de sleutel, maar uiteindelijk kreeg ik de deur open. Onwennig liep ik door mijn woning voor één nacht. Het rook ergens naar, maar ik kon de geur niet thuisbrengen.

Langzaam begon ik mijn bed op te maken. De lakens waren te klein voor het matras, ze waren bedoeld voor een eenpersoonsbed. Ik spreidde ze maar provisorisch over het matras uit.

Daarna trok ik mijn schoenen uit en dacht eraan wat ik die dag had gedaan. De vakgroep Nederlands was blij met mijn bezoek geweest. Altijd als er bezoek was ging de gehele vakgroep uit eten, altijd in hetzelfde restaurant, er waren niet zoveel aangename restaurants in Debrecen. We hadden over lijden gesproken, en nonnen, de seksuele energie die in het klooster zo'n volstrekt andere richting insloeg. Ik had weer eens mijn best gedaan.

Omdat ik mijn colbertje wilde ophangen opende ik de enige kast in de slaapkamer. Er hingen twee hangers, onder in de kast stond een toilettas. Ik bukte me en opende de toilettas zoals een dief een badkamerraam. Er zat wat bodylotion in, twee tubes Elmex, het dekseltje van een potje Nivea, lenzenvloeistof. Een onvolledige toilettas.

Langzaam deed ik hem weer dicht en ging op bed liggen. Ik had het akelige gevoel dat de lakens niet schoon waren, dat ik andere mensen kon ruiken, mensen die zich hadden vergist in het oosten.

Midden in de nacht werd ik gewekt door mijn telefoon. Het was een sms. Omdat ik per definitie het ergste vrees richtte ik me half op en las de tekst.

,,Hallo Arnon'', las ik. ,,Leef je nog?'' Wie is dit in godsnaam, vroeg ik me af. ,,Ik ben nu paaldanseres in Barcelona. Met de Antilliaan is 't niets geworden. Heb jij de liefde van je leven al gevonden?''

Het duurde een paar seconden voor ik begreep wie mij dit bericht had geschreven. 's Ochtends vroeg werd ik wakker, en kleedde me aan zonder gebruik te maken van de douche.

Via Boedapest reisde ik een paar dagen later naar Frankfurt voor de Buchmesse. Tien jaar geleden was ik voor het laatst op de Buchmesse geweest.

Er was een kleine receptie voor mijn laatste roman in de Frankfurter Hof. Sommige van de aanwezigen vond ik echt aardig, anderen vond ik echt onaardig, maar ik praatte met iedereen en niemand zal het verschil hebben gemerkt.

Zoals een paaldanseres zich niets aantrekt van de paal. Dit was mijn treurige paaldans. En ik besefte in Frankfurt dat dit het beroep was wat ik had gekozen. Deze mensen waren mijn palen, ik kon me geen buitenstaander meer noemen.

De avond erop at ik met de uitgever van mijn laatste roman, Oscar van Gelderen. Eindelijk waren er even geen verplichtingen, ik mocht stil zijn.

,,Blijf jij tot je pensioen schrijven?'' vroeg Oscar.

,,Ik weet het niet'', zei ik. ,,Nooit over nagedacht. Ik denk na over een varkensboer die naar Roemenië gaat voor een meisje uit de restauratiewagen. Maar ik weet nog niet wie wie slacht. Zij hem of hij haar. En jij, blijf jij uitgeven?''

,,Ik ga een strandtent beginnen in Tel Aviv'', zei hij. ,,En die noem ik PCM.'' Iemand had mij opdracht gegeven Oscar naar Uitgeverij Querido te halen, maar ik mag niet zeggen wie. Iemand had gezegd: ,,Bij Querido zijn het tankers, Oscar is een speedboot.''

Normaal handelen uitgevers in auteurs, waarom zou je de rollen niet omdraaien? Uiteindelijk ben ik niet de paal. Ik ben de danseres.