Met vuisten en vodden

Kousen aan een waslijn, een boom, een schommel – gewone dingen krijgen bij de Belgische schilder Raoul De Keyser een poëtische gedaante. Na een fel gevecht met de verf, dat er vaak uitziet als een minnespel.

Veel van de schilderijen van Raoul De Keyser die nu tentoongesteld worden in De Pont, Tilburg, heb ik intussen toch al een keer of tien gezien. In uiteenlopende omstandigheden, in wisselend licht, in telkens andere combinaties. In het Duits, het Engels, het Frans, het Nederlands. Ze overleven het allemaal, ook de vele kijkbeurten. Dan moet het sterk werk zijn.

Slijtvast zijn voor de blik is niet zo eenvoudig, zeker tegenwoordig niet. Beelden schieten bijna voorbij met de snelheid van het licht. In het werk van De Keyser schuilt veel onhedendaagse traagheid, en het dankt zijn sterkte mede daaraan. Maar laten we dat trage niet sacraliseren. Er zit ook snelheid in dit werk – snelheden en versnellingen allerhande. Als geheel maakt het misschien een rustige indruk, vooral wegens het abstracte, schijnbaar onthechte karakter, maar bij nader toezien zit er zoveel beweging in dit werk. Beweging, schijnbeweging, tegenbeweging. Zo abstract is dat allemaal niet.

De Belgische schilder Raoul De Keyser (1930) maakt abstract werk, laten we het gemakshalve bij die term houden, al ken ik weinig concreter schilderwerk dan dit. Zijn geschiedenis is intussen genoegzaam bekend. Hij schildert al veertig jaar, had zijn eerste tentoonstelling in 1965 en werd lang, te lang geassocieerd met een kunstrichting die De Nieuwe Visie werd genoemd en waar ook Roger Raveel, Etienne Elias en Reinier Lucassen toe gerekend werden. Het was een voornamelijk Oost-Vlaams groepje dat, enigszins getrouw aan de Amerikaanse en Britse kunstgeest van de tijd en uitgaande van de moderne verworvenheid dat het schilderij plat is, de `dagelijkse werkelijkheid' wilde herwaarderen en ze een soort objectieve status verlenen in doeken met heldere lijnen en kleuren.

Inmiddels heeft De Keyser zich langzaam en zeker van dit alles weg geschilderd – en is hij internationaal een erg gewaardeerde kunstenaar, getuige onder meer de tournee die zijn werk nu maakt, van London over Tilburg naar Frankrijk, Portugal en Zwitserland. Niet dat hij dat verleden afzweert, hij is Raveel nog altijd dankbaar voor wat hij van hem geleerd heeft en in Tilburg zijn nog enkele werken uit die verre tijd te zien. Maar inmiddels is er dus een imposant, eigenzinnig, zeer persoonlijk oeuvre tot stand gekomen, waaruit in Tilburg een ruime bloemlezing wordt getoond.

Zoals gezegd, ook na tien kijkbeurten ben ik nog onder de indruk van dit werk. Ik denk dat dit voor het leven is. Waaraan ligt dat? Ongetwijfeld aan het poëtische van dit werk. Maar dan moeten we elkaar goed begrijpen. Ik bedoel het tegendeel van zweverig en halfzacht. En dan kom ik meteen bij een tweede reden: de precisie in dit werk. Net die precisie zorgt voor veel van de poëzie.

Er is al wat geschreven over De Keyser. Over de wisselwerking tussen figuratief en abstract, over hoe de schilder in zijn eigen werk regelmatig terugkomt op zijn eigen werk, over het sensuele maar vaak ook het ruwe ervan, over de voortdurende reflectie op het schilderen zelf, de verf, de drager, de handeling, de materialen, de vormen, enzovoort. Allemaal terecht, De Keyser is ook een theoretisch, een poëticaal schilder, die in veertig jaar tijd een soort intuïtieve encyclopedie van schilderkunst heeft ontwikkeld. In die zin is hij een painters' painter.

Maar het zou jammer als dit alles het `gewone' publiek weghield. Ik kan het niet genoeg zeggen: dit zogenaamd abstracte werk is hevig verankerd in het bestaan, zelfs in het dagelijkse bestaan. Het predikt geen nevelige metafysica, het is geen schilderkunst om de schilderkunst, eigenlijk grijpt het voortdurend terug op wat we kennen, maar natuurlijk kijkt het anders tegen dat bekende aan dan wij doorgaans doen.

Het volstaat net iets langer te kijken dan met de dagelijkse, werktuigelijke blik en bijna alles – een paar kousen aan een waslijn, een boom, een jaloezie, een schommel, een trap, voorbijvliegende vogels, boomschors, een zwemmer, een kano, een torso, allemaal onderwerpen van De Keyser – kan dan een andere, meer onthechte gedaante aannemen. Die gedaante heeft De Keyser beziggehouden. Het is een poëtische gedaante.

Niet alleen die vreemde gedaante van het dagelijkse preoccupeert De Keyser, ook – uiteraard – de verf. Het heeft, dat moet ook gezegd, weinig zin naar De Keyser te gaan kijken als men niet van verf houdt. Al geldt zoiets in principe voor elke tentoonstelling van schilderijen, voor De Keyser geldt het heel nadrukkelijk. Zijn werk is ook een onderzoek naar leven en werk van de verf, naar de mogelijkheden, de soepelheid en de weerbarstigheid ervan, naar het hele gedragspatroon van verf.

Het is verleidelijk daar snel een romantisch verhaal bij te bedenken. De love-story tussen schilder en verf. Zo eenvoudig is het bij De Keyser niet. Zonder in een ander uiterste te willen vervallen: het is ook een strijd. Zowel schilder als verf heeft geregeld een moeilijk karakter. De sporen daarvan zijn zichtbaar in het werk.

,,Uiteindelijk'', zei De Keyser ruim twee jaar geleden in deze krant, ,,wil ik vooral ongenadig schilderen''. Die drang kruipt in zijn werk waar hij niet gaan kan. Vaak is het een gevecht met de schoonheid. ,,Ik hoop'', voegde De Keyser eraan toe, ,,dat mensen zien dat er in mijn werk een grotere ongenadigheid zit dan men aanneemt. Dat kan de ontroering, de betrokkenheid alleen maar vergroten. Ik wil soms even ongenadig zijn als wanneer ik er met een mes in zou steken. Dat kwetsen is voor mij nogal letterlijk. Het schilderen kan snijdender zijn dan wanneer ik er werkelijk in zou kerven.''

Echte messteken zijn in Tilburg niet te zien. We moeten het doen met de metafoor van de verf. Daarbinnen speelt zich wonderlijk veel af: vreugde, verdriet, geweld, precisie, slordigheid, poëzie, anti-poëzie. Stemmingen, tonen, schilderwijzen wisselen elkaar soms snel, soms bedachtzamer af. De Keyser gebruikt alles wat als schilder te zijner beschikking is – het platte doek, de borstel, de verf, de kleuren, de vormen, maar soms ook vingers en vuisten en vodden.

Nu eens leidt dat tot lyrische doeken, dan weer tot afgemeten beelden. Soms gaan die twee samen, zoals in de wonderlijke schilderijen die De Keyser heeft gemaakt van de apeverdriet (een fraaie, stekelige naaldboom) naast zijn huis, Zacht Apeverdriet (1982). Kaal, uitgepuurd, en vreemd oplichten dat ze doen. Ze zijn tot stand gekomen na het overlijden van zijn vrouw, maar dat biografische motief wil De Keyser niet te uitdrukkelijk vermeld zien.

Dat geldt voor meer van zijn werk. Menig doek heeft een verhaal, een gebeurtenis, een geschiedenis als aanleiding – die soms verborgen zitten in de vaak prachtige titels van de werken. Maar die `werkelijkheid' is in de verf overgegaan – en het is het verhaal van de verf dat overblijft.

De Keyser is zo op het eerste gezicht geen verhalende schilder. Integendeel, lijkt het. En toch. In dat verhaal van de verf zitten andere verhalen. Vaak zitten die ónder de verf – De Keyser werkt veel in lagen en laat dat vaak ook zien, meestal aan de randen, maar soms ook gewoon in het midden. Doeken hebben een geschiedenis en zelfs een geheugen. Voor De Keyser zijn het ook lichamen. Een mooi voorbeeld daarvan is de prachtige reeks uit het genadige jaar 1992: Flank, Val, Dal, Bleu de Ciel, Einden, Tors – schilderijen die het doek vaak opvoeren als een huid. Een aangetast, soms gemaltraiteerd, soms geliefkoosd vel. Het zijn doeken die iets belichamen, maar wat.

Belichaming. Daar heeft De Keysers werk veel mee van doen. Schilderen is belichamen. Het is te eenvoudig om te zeggen dat het van het concrete naar het abstracte werkt. Net zo goed laveert het tussen het concrete en het concrete. Verf en doek zijn net zo tastbaar als gras en een krijtlijn. De Keyser is ooit, in de jaren zestig van de vorige eeuw, begonnen met gras en krijtlijnen op doek over te brengen. Daarover zei hij: ,,Als iemand me zei dat die lijn de krijtlijn op het voetbalveld was, dan zei ik dat het iets anders was. Als iemand me zei dat het iets anders was, zei ik: het is de krijtlijn op het voetbalveld. Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.''

Die schijnbare onmogelijkheid, dat het hetzelfde en niet hetzelfde is, voor mij schuilt ook daarin veel van de poëzie in dit werk. De Keyser zet de verf aan het denken, over zichzelf, zeker, over haar onvermogen, haar behaagzucht, haar geschiedenis. Maar ook over wat zij nu precies zou kunnen zeggen – ook na al die eeuwen dat ze al bestaat – over de wereld. Deze schilder houdt die wereld kort en dichtbij – en dan is de vraag: hoe krijg ik die overbekende en toch zo vreemde nabijheid in de verf, zodanig dat wereld en verf samen één moment worden?

Ik geef een voorbeeld, het schilderij Klaarte (1991). Hoe schilder je klaarte? De Keyser heeft daartoe een jaloezie in zijn huis gebruikt. Jaloezieën beslissen in een handomdraai over klaarte en donker. Het schilderij is grotendeels fel groen, alleen aan de linkerflank en onderaan komt wat dieprood kijken. In dat felle groen zijn naalddunne strepen getrokken. Je kunt daar de lamellen in zien, of gewoon strepen – het is hetzelfde en het is niet hetzelfde. Door dat felle groen, dat kriekende diepe rood en die gekraste lijnen ontstaat inderdaad een vreemde, intense klaarte, die geen klaarte is. Het is geschilderde klaarte. Zeer tastbaar, zeer zichtbaar, en toch onbegrijpelijk. Dat is poëzie. Je ziet het, je begrijpt het nooit helemaal en je zegt, zo is het.

De Keyser zet de verf aan het denken, schreef ik. Dat is zo, er zit veel denkwerk, overweging, onderzoek in zijn werk. Maar ik betwijfel of ik daar tien keer naar zou kunnen kijken en blijven denken: wat prachtig. In woorden zie ik dat nog wel gebeuren, maar in verf? Verf, hoe recalcitrant ze ook mag zijn opgevoerd, werkt op het oog. En het oog is zo vaak uit op lust. En het werk van De Keyser – hoe weerspannig soms ook, maar hoe lyrisch en hoe verleidelijk al evenzeer – is een lust voor dat oog.

Dat oog moet het liefste wel in de buurt van het doek zijn. Ook dat geldt in principe voor alle schilderijen, waarlijk spreken doen ze pas in levenden lijve. Het geldt bij uitstek voor De Keysers werk. Het tactiele is er een onvervreemdbaar deel van. Niet alleen om de zo vaak geroemde geste van de schilder, de sporen van zijn kwast, enzovoort – bij De Keyser is de verf op erg verschillende manieren bejegend: van aandachtig tot achteloos, van vriendelijk tot haast onheus, van langzaam tot jachtig.

Het lijkt wel een minnespel. In een zeker opzicht is het dat ook wel, en al ruim veertig jaar is het aan de gang. Maar een idylle zou ik het niet noemen. Er zijn momenten van lust, maar ook van onlust, van rust, maar ook van grote onrust, van zoeken en van vinden. Wat mij opnieuw ontroerde bij het zien van de vele werken in Tilburg, die daar mooi zijn gepresenteerd, is hoe dit hele oeuvre uiteindelijk ook een soort verslag, een verhevigd dagboek is, van een leven met verf – en van hoe die verf op haar beurt omgegaan is met het leven. Zowel reflectief als emotioneel. Met de bijbehorende geluksmomenten en de onvermijdelijke littekens.

Het zit hier allemaal in, in dit zogenoemde abstracte schilderwerk. Maar men moet het natuurlijk eerst zien, in levenden lijve, om het te geloven.

Raoul De Keyser. Tot 9 januari 2005 in De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. Open van dinsdag t/m zondag van 11 tot 17 uur. Website: www.depont.nl