Familiespoken grijpen in

Een enkele historicus kent nog wel de naam van de achttiende-eeuwse schrijver-schilder Jacob Campo Weyerman, in 1747 op zeventigjarige leeftijd gestorven in de Haagse Gevangenpoort, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat wegens chantage. Hij gaf een schandaalkrantje uit dat voornamelijk bedoeld was om mensen af te persen. Maar ook schreef hij zogeheten vagevuursprookjes, zoals `Kristina's Vagevuursprookje', waarin een vrouwenlijk gedurende de uitvaartmis fladderend uit de kist ontsnapt en nog tijden onder de mensen blijft rondwaren.

Miriam Guensberg (1950) heeft in haar zesde roman, De portiekvrijer, een naamgenoot en nazaat van de historische Weyerman tot hoofdpersoon gekozen. Het gaat om een zielige roddeljournalist die onder het pseudoniem Maik Montès voor het blad Glossip een verhaal over een Mabel Wisse Smit-achtige affaire moet schrijven, maar tegelijkertijd met open ogen zijn ondergang tegemoet loopt.

Op dat moment komt hij middenin een vagevuursprookje terecht. Voorvader Jacob Campo Weyerman blijkt namelijk als vuurvliegje op de aarde rond te dolen. Pas als hij een familielid van de ondergang heeft weten te redden, is hij welkom in de hemel. Tot op heden is hem dat niet gelukt, maar zodra hij zich met Maik Montès gaat bemoeien, stijgen zijn kansen. Vooral als hij hulp krijgt van een ander familielid, de bij een motorongeluk omgekomen romanschrijfster Daphne. Van moederskant behoort zij tot de familie Weyerman. Als gevolg van een zondig leven als atheïste en overspelige minnares is ook zij veroordeeld tot het vagevurisme. Daphne keert terug als hondsdagvlieg en samen met betovergrootvader vuurvlieg probeert ze de brokken makende roddeljournalist tegen zichzelf in bescherming te nemen.

Het verhaal, doorspekt met citaten van de historische Jacob Campo Weyerman, verwijzingen naar de mythologie, hedendaagse filosofietjes over leven, liefde en dood en geschreven in de zweverige pathetische stijl die Guensberg eigen is, zit nogal complex in elkaar. Thema's zijn de puinhoop die de mensen er tijdens hun leven van maken, het leed dat ze zichzelf aandoen en de loutering die nodig is om uiteindelijk de liefde te laten winnen van het kwaad.

De mooiste passages zijn die waarin de vuurvlieg en de hondsdagvlieg op of rond de roddeljournalist neerstrijken. Ze zitten op zijn hoofd, in zijn kleren, op het toetsenbord van zijn computer, lezen zijn ranzige teksten mee, volgen hem tot in de badkamer en op de wc. Guensberg maakt dermate dwingend aannemelijk dat de twee insecten werkelijk een missie vervullen in het leven van hun familielid dat je na lezing van deze roman geen vlieg meer kunt ontwaren zonder er een betekenis aan toe te kennen. Welke vagevurist probeert mij, van welke ondergang te redden, denk je rillend als er tijdens de lectuur van dit boek een klein gevleugeld wezen op je hand landt. Zou het Jacob Campo Weyerman zijn?

In een nawoord onthult Guensberg dat deze achttiende-eeuwse schelm een voorvader van haar moeder was en dat zijn werk, vooral zijn sprookjes, haar hebben geïnspireerd tot De portiekvrijer. Een gewaagd en boeiend experiment dat echter maar ten dele geslaagd is als gevolg van Guensbergs neiging te veel tegelijk te willen, te veel verhaallijnen en thema's aan te stippen zonder er ook maar een enkele helder neer te zetten of uit te diepen. Ze laat haar lezers achter met het gevoel: ik zie ze vliegen.

Miriam Guensberg: De portiekvrijer. L.J. Veen, 156 blz. €14,95