De zakelijke driften van Anton Philips

In de zinderende jaren twintig zorgde Anton Philips voor de snelle internationale expansie van zijn gloeilampenfabriek. Onderweg veranderde veel van wat hij aanraakte in goud.

En er vielen een paar slachtoffers. Een voorpublicatie uit zijn biografie.

Anton Philips had zeker geen last van heimwee naar de jaren vóór 1914-1918. Het einde van de Eerste Wereldoorlog maakte juist een enorme energie in hem los, misschien nog meer dan de oorlog zelf had gedaan. De oprichting van het filiaal in België in januari 1919 was pas het begin. Zo snel het kon stuurde hij zijn mensen erop uit: in februari vertrok G. Damman als opvolger van de overleden topverkoper Bakker naar Zuid-Amerika; in mei ging D. van Eendenburg, die door de revolutie uit Petrograd (het voormalige Sint-Petersburg) was verdreven, naar Stockholm; in september reisde A. van Eyk naar Milaan om daar een verkoopkantoor te vestigen. Hij begon te kopen: op 1 augustus verwierf hij een meerderheid in de gloeilampenfabriek Lámparas Eléctricas `Z' in Barcelona; op 17 oktober nam hij een belang in het Britse concern Edison & Swan; in november kocht hij driekwart van de aandelen van de Venlose concurrent Pope en begon hij gesprekken met de leverancier van lampvoeten The Vitrite Works over een participatie. En hij maakte bouwplannen: dat najaar viel ook het besluit tot nieuwe fabrieksuitbreidingen en tot de bouw van de zevenhoekige en achtenveertig meter hoge `lichttoren' bij het complex aan de Emmasingel, tot op de dag van vandaag een markant symbool in het silhouet van Eindhoven.

Deze stappen – en nog een heleboel andere – markeerden de start van een zeer snelle expansiegolf, die op een of andere manier wel paste in die koortsachtige, zinderende en dynamische jaren twintig, die niet voor niets bekend staan als de roaring twenties. Oudere broer Gerard hield Anton nu niet meer bij, hij verdween in 1922 met pensioen. De jongere broer vond nieuwe steun in een team van jonge dertigers, hoog opgeleid, ambitieus, keihard werkend en totaal toegewijd. Met hen bouwde hij in het daaropvolgende decennium, tot de beurskrach van 1929, het bedrijf uit van gloeilampenfabriek tot multinationaal elektronicaconcern. Onderweg veranderde veel van wat hij aanraakte in goud. En er vielen een paar slachtoffers.

Eerder hadden vakbonden, lokale bestuurders, en bankiers al kennis gemaakt met Antons soevereine stijl van onderhandelen en beslissen. In de expansiegolf na de Eerste Wereldoorlog kregen ook leveranciers, concurrenten, zakenpartners, hogere employees en zelfs vrienden ermee te maken. Het allereerste doelwit van zijn uitbreidingshonger was The Vitrite Works, de al genoemde toeleverancier van lampvoetjes. De aanleiding kwam van het Middelburgse bedrijf zelf. In september 1918, met de geallieerden aan de winnende hand, maar nog voordat de oorlog daadwerkelijk ten einde was, vroeg directeur C. Boudewijnse welke toezegging Philips kon doen voor de afname in de naoorlogse jaren.

Dat getuigde van een vooruitziende blik. Tussen 1914 en 1918 had Vitrite in de geallieerde en neutrale delen van Europa praktisch in een monopoliepositie verkeerd. Maar daar zou nu een einde aan komen, de Duitsers zouden op de markt terugkeren, terwijl ook een hervatting van Amerikaanse importen te verwachten viel. Antons eerste reactie op de vraag van Boudewijnse was: ik doe geen enkele toezegging. Maar toen deze aandrong en hem erop wees dat hij belang had bij continuïteit in de leveringen, greep hij de telefoon en kwamen een paar mondelinge meerjarenafspraken tot stand. Bij deze welwillende opstelling speelde ongetwijfeld mee dat de twee firma's oude banden hadden.

Al in 1892 had Gerard een overeenkomst met de toen Britse eigenaar gesloten, op grond waarvan zij een verkoper met elkaar deelden en Philips een ruime korting genoot. Na de overname van Vitrite door Boudewijnse in 1893 was Philips de grootste klant gebleven. Blijkbaar had het dreigende exportverbod aan het begin van de Eerste Wereldoorlog de onderlinge verhoudingen niet blijvend beschadigd.

Tijdens de telefoongesprekken over de meerjarenafspraken had Anton de mogelijkheid geopperd van een participatie. Maar dat ging Boudewijnse te ver, en Anton liet het onderwerp rusten tot de oorlog daadwerkelijk ten einde was. Begin februari 1919 vroeg hij advies aan mr. Herman van Walsem. Deze 31-jarige jurist uit Rotterdam zou op 15 februari bij Philips in dienst treden als secretaris der directie.

Nog vóór zijn komst legde Anton hem de kwestie voor. Van Walsem schreef terug dat Vitrite naar zijn mening eerst zekerheid wilde over Philips' afname, om niet met lege handen te staan voor het geval daarop volgende onderhandelingen over een participatie zouden mislukken. Hij raadde Anton aan de mondelinge afspraken schriftelijk te bevestigen en van een einddatum te voorzien. Op basis daarvan kon Philips intussen ,,desgewenst, rustig het bouwen van een eigen fabriek bewerkstelligen''.

Dat Anton dit als alternatief voor een participatie overwoog, was niet vreemd: Philips produceerde immers al zijn eigen glas, dus waarom niet ook de lampvoetjes? Maar eerst probeerde hij Boudewijnse alsnog tot een participatie te bewegen. Het begon in mei 1919 met een brief van Van Walsem over de prijzen van Vitrite. De jonge directiesecretaris rekende voor dat die tussen 33,3 en 542 procent boven die van andere leveranciers lagen, en schreef dreigend: ,,Indien u binnenkort niet aanzienlijk lagere prijzen kunt noteren, vrezen wij, dat wij genoodzaakt zullen zijn, ons tot uw concurrenten te wenden en dat wij voor de toekomst niet meer dergelijke omvangrijke zaken als tot heden met u zullen kunnen doen.'' Vrijwel tegelijkertijd zond Philips een order naar de Amerikaanse producent van lampvoeten Providence Base Works, een dochter van General Electric in de Verenigde Staten.

Deze combinatie van niet mis te verstane signalen zette Boudewijnse aan tot aanzienlijke prijsverlagingen. Maar hij kon Van Walsem niet tevreden stellen, en in november kwam het tot gesprekken met Anton zelf, die opnieuw een participatie voorstelde en erbij zei dat hij vooral uit was op een goede samenwerking en niet op de macht. Nu ging Boudewijnse wel akkoord. Hij begreep ook wel dat het kapitaalkrachtige Philips bij een tweede weigering zelf lampvoetjes zou gaan produceren, en de kans is groot dat Van Walsem of Anton – met hun directe stijl – hem dat gewoon te verstaan heeft gegeven. De eerste plannen in de richting van eigen productie waren trouwens al gemaakt.

Het spannendste deel van het spel moest nog komen. In totaal zou Philips maximaal de helft van de achthonderd aandelen overnemen. Maar die waren niet allemaal in handen van Boudewijnse. Na contact met de overige aandeelhouders berichtte de Vitrite-directeur in januari 1920 dat bij een paar aandeelhouders nog oppositie bestond, maar dat hij 382 aandelen kon leveren. In november had Anton gezegd ook met iets minder dan de helft genoegen te nemen; in werkelijkheid wilde hij wel degelijk vijftig procent en zo mogelijk meer.

Hij besloot dat dan maar zelf te regelen. In februari besprak hij met Boudewijnse de details van het contract tijdens bijeenkomsten in Eindhoven en Den Haag. Tegelijkertijd schakelde hij een stroman in, die stap voor stap nog negentien aandelen wist op te kopen, zodat hij zeker was van een meerderheid van de helft plus één. Toen Boudewijnse dit in de loop van maart ontdekte, stuurde hij een woedende brief, waarin hij liet blijken dat hij Antons truc doorhad, de naam van de stroman noemde en een ultimatum stelde: Anton moest vóór donderdag 8 april laten weten of hij nog een overeenkomst wilde op basis van de oorspronkelijke afspraken. Zo niet, dan beschouwde Boudewijnse de onderhandelingen als afgebroken.

Anton hield zich nu buiten beeld. Vier dagen bleef het stil. Toen keerde Van Walsem terug naar de voorgrond. Een dag voor het verstrijken van het ultimatum telegrafeerde de jurist dat hij naar Middelburg zou komen. Tijdens die ontmoeting van de 8ste april wist hij Boudewijnse te kalmeren én de buit binnen te halen.

Philips zag af van een meerderheid, maar het gevaar dat men zou blijven steken op een machteloze minderheid, was ook geweken. Anton kreeg precies de vijftig procent die hij minimaal wenste; bovendien stond in het contract dat Philips bij de levering van de lampvoetjes altijd voorrang zou krijgen. In de weken daarna bakkeleide men nog wat met Vitrite over de vertegenwoordiging van Philips in de raad van commissarissen. Anton wilde dat zijn voordracht bindend zou zijn, en kreeg ook hierin feitelijk zijn zin.

Commissarissen hadden soms moeite met Antons snelheid. Presidentcommissaris De Marez Oyens zei tijdens een vergadering in juni 1920 dat de directie volgens hem ,,lak aan de commissarissen'' had: ,,Er wordt veel besloten waarvan de commissarissen ternauwernood kennis krijgen.'' Hij kreeg bijval van Geert van Mesdag, en opmerkelijk genoeg van Gerard Philips, die zei dat ook hij als mededirecteur ,,wel eens ten onrechte voorbijgegaan'' werd. Anton antwoordde dat er nu veel zaken van groot belang waren, ,,waarin onmiddellijk gedecideerd moet worden'' en beloofde zoveel mogelijk met de klachten rekening te houden. Maar intussen ging hij gewoon in hetzelfde tempo door.

De daaropvolgende vergadering, in februari 1921, kwam Van Mesdag met een klacht over de snelle uitbreiding van de `bijbedrijven'. In juni 1921 was het weer Gerard die, tegen de achtergrond van de slechte economie, tot voorzichtigheid maande. Zijn kritiek richtte zich met name tegen Antons plan om samen met de Duitse Osram-groep voor 400.000 gulden de gloeilampenfabriek van de Amerikaanse firma Westinghouse in Wenen en het filiaal daarvan in Zwitserland over te nemen. Gerard zei ,,dat het succes van combinaties in de laatste tijd niet groot was, dat we voorzichtig moeten zijn, de fabriek ligt in een klein land en we hangen af van in- en uitvoerrechten''.

Anton had echter zijn secretaris Van Walsem meegenomen en de chef van de commerciële afdeling J. Gaarenstroom. Hij liet hen zeggen dat Philips de fabrieken om strategische redenen moest kopen ,,omdat anders de Duitsers daartoe overgaan''. Tegen dit argument had Gerard noch de raad van commissarissen verweer. De aankoop ging door, overigens zonder ooit geld op te leveren.

Er waren ook wel redenen om haast te maken. De Eerste Wereldoorlog had op de gloeilampenmarkt in Europa een machtsvacuüm achtergelaten. De Patentgemeinschaft stelde weinig meer voor, door de oorlog waren de drie Berlijnse firma's in een reeks geallieerde landen behalve fabrieken, ook hun octrooirechten kwijtgeraakt. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was Philips aanzienlijk kleiner geweest; nu had het Eindhovense bedrijf binnen Europa – exclusief Duitsland zelf – een even groot marktaandeel. De exporten naar landen buiten Europa bedroegen elf miljoen lampen in 1920 tegen vijf miljoen voor het Berlijnse drietal. Met het doel hun positie te heroveren brachten AEG, Siemens & Halske en de Auergesellschaft begin 1920 hun lichtactiviteiten onder in de nieuwe gezamenlijke onderneming Osram. Het lag echter niet in Antons aard te wachten tot deze op krachten was; hij wilde een zo groot mogelijke voorsprong nemen.

Zijn tactiek in deze situatie doet denken aan die van 1907-1912, toen de wolframlamp haar intrede had gedaan en nog niet aan octrooibeperkingen was onderworpen. Aangezien die onvermijdelijk zouden komen, had Anton indertijd geprobeerd zo snel hij maar kon een sterke internationale marktpositie in dit nieuwe lamptype op te bouwen. Daardoor was Philips in de licentieonderhandelingen van 1912-1914 zowel door de drie van de Patentgemeinschaft als door General Electric als een serieuze gesprekspartner beschouwd.

Nu, na afloop van de Eerste Wereldoorlog, vielen van Duitse zijde pogingen te verwachten de oude machtsverhoudingen te herstellen. De vorming van Osram was een eerste aanwijzing. Daar kwam bij: de Duitsers waren hun octrooirechten ook lang niet overal ter wereld kwijt, zodat Philips binnen afzienbare tijd hoe dan ook in nieuwe licentieonderhandelingen terecht zou komen. En in de iets verdere toekomst kon ook de vorming van een nieuw gloeilampenkartel weer opdoemen. Hoe sneller Philips in deze overgangsfase groeide, des te beter zou het bedrijf er dan voor staan. Tegen deze achtergrond was Antons expansiedrift een race tegen de klok.

In dit grote wereldwijde machtsspel was de verhouding met de Amerikanen eigenlijk het eenvoudigst. Begin oktober 1919 reisde GE-topman Gerard Swope naar Londen om Anton te ontmoeten en de gesprekken over de licentieovereenkomst, die door de oorlog waren onderbroken, af te ronden. Anton vloog naar de Britse hoofdstad, samen met commercieel medewerker Gaarenstroom. Vliegen was in die tijd nog een groot avontuur. Gaarenstroom beschreef later hoe zij ,,als twee beren verpakt in een open vliegtuigje van Parijs zijn vertrokken''.

Toen ze tegen de piloot opmerkten dat zijn machine er weinig solide uitzag, antwoordde die dat maar één van de vijfentwintig vluchten eindigde met een ongeval. Prompt viel boven het Kanaal de motor enkele ogenblikken uit. Tijdens zijn poging die aan de praat te krijgen, probeerde de piloot hen gerust te stellen met de mededeling dat ze in glijvlucht Folkestone nog net konden halen.

Gelukkig sloeg de motor weer aan en konden General Electric en Philips op 15 oktober hun voorlopige afspraken uit 1916 vastleggen in een definitieve Principal Agreement, met als kern: Philips zou de Amerikaanse markt verlaten in ruil voor toegang tot GE's octrooien en know how.

De partners verdeelden de wereld in twee stukken. GE kreeg Noord- en Midden-Amerika en Japan als exclusief werk- en verkoopterrein; Philips kreeg Nederland als exclusief terrein. In de rest van Europa en de wereld konden beide bedrijven verkopen wat ze wilden en vrijelijk van beider octrooien gebruikmaken. Acht Europese landen – Frankrijk, Griekenland, Italië, Portugal, Rusland, Spanje, Groot-Brittannië en Ierland – vielen buiten de GE-patenten en daarmee ook buiten de afspraken.

Philips betaalde GE tweeënhalf procent royalty over de verkopen buiten Europa, in ruil voor uitwisseling van licenties en technische ondersteuning. GE bracht haar internationale activiteiten onder in de International General Electric Company (IGE), geleid door Swope. IGE nam in 1920 een belang van twintig procent in de gewone aandelen Philips en Swope kreeg zitting in de raad van commissarissen.

Doordat deze participatie gepaard ging met een uitbreiding van het aandelenkapitaal, verloor de familie de meerderheid in de onderneming. Om toch de macht te kunnen behouden, richtte men in 1920 ook de nv Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen Philips' Gloeilampenfabrieken op, kortweg ook wel nv Bezit genoemd. Het idee was alle aandelen Philips (minus de twintig procent van GE) om te ruilen in aandelen nv Bezit. Die vennootschap gaf zes prioriteitsaandelen uit. De houders daarvan moesten Nederlanders zijn en kregen het recht op bindende voordracht van de directie van nv Bezit – die zelf weer het recht had op bindende voordracht van de raad van commissarissen en de directie van de nv Philips' Gloeilampenfabrieken. Bij de oprichting kwamen de prioriteitsaandelen in handen van Anton, Gerard, hun broers Hans en Ed, en de commissarissen De Marez Oyens en Van Mesdag.

De macht bleef dus stevig verankerd in de familie. Anton, Gerard en De Marez Oyens vormden de eerste directie van nv Bezit. De omruil van de gewone aandelen vond overigens niet meteen plaats; het besluit daartoe viel pas eind 1924.

Dit is een verkorte weergave van het zesde hoofdstuk uit `Anton Philips 1874-1951. Ze zullen weten wie ze voor zich hebben' (uitg. Balans), het proefschrift van onderzoeksjournalist Marcel Metze, die vandaag promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.