De pen geeft de daders een stem

`Geef me een goed gedicht,' heb ik ooit een uitgever horen zeggen, `en ik herken de kwaliteit. Zeur me niet aan mijn kop over definities. Ik zou niet weten wat een vers superieur maakt, maar als het goed is ruik ik dat al aan het manuscript.'

Was het maar zo eenvoudig. Lezend in de derde bundel van Menno Wigman kreeg ik herhaaldelijk een gevoel van onmacht. Het gemak waarmee de woorden in Dit is mijn dag het doel treffen laat zich moeilijk verklaren. Zoals in 's Zomers stinken alle steden (1997) en Zwart als kaviaar (2001) jongleert Wigman met zijn belezenheid, geeft hij woorden aan zijn lijfelijke ervaringen en beschrijft hij alledaagse gevoelens in gebeitelde taal. Op z'n best gebeurt er dan waarop je als lezer hoopt: de woorden zijn soms even tastbaar en raken je ruggengraat. Maar hoe dat gebeurt laat zich niet vatten. Ook deze taalsmid heeft zijn ambtsgeheimen. Een titel als `Levensloop' suggereert geen openhartigheid, maar meteen, in de openingsregels van dit vers is de dichter al uiterst persoonlijk en toont hij zich kwetsbaar.

Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.

Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift

en mijn naam,

de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,

mijn vader die zich in een blazer hees,

het huis waar ik voor vriendschap

heb bedankt.

Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,

nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,

correct, zijn ogen dapper op de weg.

Geen zin in dom geworstel met de dood.

Hoe alles wat ik nog te zeggen had

onder de wielen van de tijd wegstoof.

De opening lijkt een echo van het gedicht 'Angst' uit Parken en woestijnen van Vasalis. `Ik ben voor bijna alles bang geweest,' luidt daarvan de beginzin, en dan volgt net als bij Wigman een ruime opsomming. Het procédé is dus eerder beproefd, maar waar Vasalis de woorden in de mond van een dienstmeid legt, spreekt Wigman voor zichzelf. `Levensloop' eindigt ook niet in een open raadsel, zoals `Angst'. Hier toont de ondankbare zoon zich met de mond vol tanden als hij aan het sterfbed van zijn vader staat. En de schaamte die hij daarbij uit is schaamteloos herkenbaar.

Een zelfde herkenbaarheid maakte Vasalis tot troeteldichter des vaderlands. Ook Wigman zou dat kunnen overkomen; maar daarvoor is hij, denk ik, toch te intellectueel. Zijn thema's zijn alledaags, maar in zijn uitwerking leunt hij dikwijls op literaire voorbeelden. Het motto is een Rilke-citaat, het titelvers van de bundel verwijst naar Tsjwang Tse, en naast Vergilius en Catullus komen andere, al dan niet bij naam genoemde dichters ter sprake. Dat zijn geen onderwerpen voor een volkspoëet.

Wigman is ook virtuozer dan Vasalis, en bovendien een perfectionist. Ook hij heeft een volstrekt natuurlijke dictie, die moeiteloos op papier lijkt gezet, maar losse eindjes laat hij niet toe. Nu en dan leidt dat tot `afmakers': nadrukkelijke herhalingen als afsluiting van het gedicht. Te nadrukkelijk soms, zoals in `Keulen, een nachtgedachte' (`Ik lees een dichter en verplant de tijd') en `Tot besluit' (`Ik ken de droefenis van copyrettes'). Dan valt het deksel me te sluitend op de kist, en dat verstikt.

Blijkbaar neemt ook Menno Wigman deel aan de `Poule des Doods'. De vierde afdeling van Dit is mijn dag biedt twee gedichten die bij een eenzame uitvaart van gemeentewege werden geschreven en uitgesproken. Het probleem van zulke `anonieme' elegieën is dat ze betrokkenheid moeten suggereren. Het sentiment slaat dan al snel zijn slag, zeker als er wordt geschmierd. Wigman overkomt dat in `Moe in Amsterdam', maar in het tweede eenzame uitvaartvers is hij perfect op dreef. `Bij de gemeentekist van mevrouw P.' heet het, en het eert de nagedachtenis van Klaaske Pen, die vorig jaar op drieëntachtigjarige leeftijd overleed. In dit klaagdicht lukt het Wigman om de weemoed ingetogen en met mededogen binnen de regels te houden. Anders dan in `Levensloop' ontbreekt hier de persoonlijke herinnering, maar mevrouw P. krijgt een verleden en wordt zorgzaam toegedekt.

De elegische afdeling sluit af met een drieluik over vader Wigman. `Levensloop' is het centrale onderdeel daarvan, maar de zijluiken, `Oudste zoon' en `Onbegonnen werk', zijn even openhartig en intrigerend. `Oudste zoon' stond al in Wigmans eerste bundel, maar hier krijgt het een definitieve context, en dat rechtvaardigt de herhaling. Wat mij betreft had dit drieluik de bundel mogen besluiten, maar Wigman heeft meer in petto. `De vrede moe' heet de laatste afdeling, en die bevat vijf gedichten bij oude politiefoto's. Voor wie nieuwsgierig is vermeldt de dichter in de Verantwoording zijn bronnenboek: Moord in Rotterdam. Voor elk van de vijf gedichten bestond dus een historische aanleiding, maar de kracht van het vijftal is niet aan de werkelijkheid ontleend, maar aan Wigmans verbeelding. Onder zijn pen kregen daders een stem, zoals in `Sluipwesp':

Een wesp, een sluipwesp, pal onder mijn glas,

die zomer dat ik niks te vrezen had.

Zijn onbeholpen dood in mijn cognac

en ik die nog in vrijheid was. Luister:

ik zag een schilderij waarop doodleuk

een mes was neergelegd en vroeg me af

of die schilder ooit aan gekken had gedacht.

Luister: ik had een vrouw die handen had,

twee handen met een onbeheersbaar gat.

Dus stal ik wel eens wat. Of brak ik in.

Geen woord over die nacht dat ik betrapt -

natuurlijk kwam dat wapen niet van pas.

Hier spreekt een dapper hoofd vol dom verdriet

dat zestig maanden tegen glas aan vliegt.

Dit is een goed gedicht, en niet alleen omdat het goed ruikt. Wigman heeft zich in zijn personage ingeleefd en diens stem dwingend vorm gegeven. Het gedicht is vormvast, al staat deze vorm niet in de prosodische handboeken. Het vers telt per couplet van vijf naar twee regels af. Voor Wigman is dat geen onbekende versstructuur; in Dit is mijn dag staan nog drie andere gedichten in deze vorm, en ook in Zwart als kaviaar hanteerde Wigman al deze opbouw. En dan is er het rijm. Dat is bewust onnadrukkelijk, maar dicterend aanwezig. De toon noodt tot verder lezen, of luisteren, want Wigmans poëzie is – hoe parlando soms ook – op ritme en klank geschreven.

Ik schreef het eerder: Menno Wigman is een dichter die er wezen mag. Een zouteloze ready made als `Erratum' vergeef ik hem graag, en ook het navelstaren dat aan veel van zijn verzen ten grondslag ligt. Dit is mijn dag telt een tiental hoogtepunten met aforistische kracht. In die verzen `breekt een vlinder uit' en dat is, anders dan het titelvers wil suggereren, allerminst een eendagsvlinder.

Menno Wigman: Dit is mijn dag. Prometheus, 55 blz. €13,50