De gekwetste Bredero

Gerbrandt Adriaensz Bredero is nog altijd een van de meest gelezen en gespeelde schrijvers van de zeventiende eeuw. Dankzij zijn lyriek geldt hij ook als een `poète maudit'. Nieuw ontdekte sonnetten laten nog een heel andere kant van hem zien, die van polemicus.

In het hart van Amsterdam, aan de Spuistraat, daar waar Gerbrandt Adriaensz Bredero vierhonderd jaar geleden volgens een van zijn bekendste sonnetten 's nachts door de straten zwierf, treurend om zijn geliefde die daar ergens `in een stille staat' lekker lag te slapen, is het kamertje van dr. P. J. Verkruijsse. Hij is boekhistoricus en neerlandicus aan de Universiteit van Amsterdam. Hoe vol dit vertrek in het naar Bredero's vriend P.C. Hooft vernoemde gebouw ook is gevuld met boeken, ordners en decennia oud meubilair ten behoeve van drie onderzoekers, het virtuele domein van Verkruijsse is de helderheid zelve. Moeiteloos tovert hij op zijn computer oude teksten, diagrammen, databases van drukkers, uitgevers en edities tevoorschijn. En een van de titels die daar voortdurend uit naar voren springt is de Tragische Historien, een van de meest populaire verhalenbundels uit de Gouden Eeuw. In enkele nooit eerder teruggevonden edities van dat boek, uit 1612, deed Verkruijsse enkele maanden geleden de vondst van zijn leven: drie onbekende gedichten van Bredero, vier lofdichten op Bredero en twintig gedichten van Jan Jansz Starter.

Bredero (1585-1618) is vooral bekend om zijn blijspelen als de Spaanschen Brabander en Moortje en kluchten als de Klucht van de koe en de postume dichtbundel het Groot liedt-boeck. Zijn toneelstukken worden nog herhaaldelijk gespeeld en zijn gedichten behoren tot de mooiste uit de zeventiende eeuw. Zijn motto `'t kan verkeren' valt nog in menig relativerend gesprek te beluisteren.

Over zijn leven is weinig bekend. Hij werd geboren aan de Nes in Amsterdam als zoon van een welgestelde schoenmaker, volgde de lagere school en kreeg een schildersopleiding. Al op jonge leeftijd had hij succes als toneelschrijver en hij ging om met vooraanstaande schrijvers als P.C. Hooft, Hugo de Groot en Samuel Coster. Eind december 1617 keerde de dichter terug van een begrafenis in Haarlem en zakte door het ijs. Kort daarop overleed hij. Bij gebrek aan verdere gegevens had men zijn leven maar gereconstrueerd aan de hand van zijn gedichten, waarin het wemelt van de Margrieten, Roosjes, Anna's en Laura's – allen gezegend met kersenrode lipjes, sneeuwwitte tanden, een blanke huid en koolzwarte oogjes. Helaas bleven zij voor de dichter onbereikbaar. Zijn smachtende gedichten en zijn vroege dood hebben van hem een poète maudit gemaakt die mistroostig door de Amsterdamse straten doolde.

Aan dit romantische beeld kwam een eind in het Bredero-herdenkingsjaar 1968. Toen was de Vlaamse hoogleraar August Keersmaekers tot de conclusie gekomen dat veel van Bredero's gedichten vertalingen waren uit het Frans en regelrecht voortsproten uit de lyrische traditie van Petrarca. Hij kon dat doen door de vondst van enkele edities van de Tragische Historien uit 1646 en later.

De nu door Verkruijsse ontdekte gedichten laten een andere dan de bekende, al dan niet vertaalde, lyrische kant van Bredero zien, een polemische kant. Bredero's vertalingen voor de Tragische Historien werden bekritiseerd en in twee van de nieuw gevonden sonnetten stelt hij zich tegen zijn critici teweer. Zij bieden ook een nieuwe visie op de verhoudingen tussen de Amsterdamse literatoren aan het begin van de zeventiende eeuw en ze tonen aan hoe gevierd Bredero in 1612 al was.

Verkruijsse wrijft zich vergenoegd in de handen wanneer hij zijn vondst toelicht. Hij trof de gedichten aan in nooit eerder bestudeerde delen van de Tragische Historien in de stadsbibliotheek van het Zweedse Linköping en in de universiteitsbibliotheek van Augsburg. ,,Dat deze boeken moesten hebben bestaan wisten we wel'', vertelt Verkruijsse, ,,maar er waren nooit exemplaren teruggevonden. Bij ons boekhistorici geldt de wet `hoe populairder een boek is geweest, hoe minder exemplaren je ervan terugvindt'''. Populair drukwerk werd letterlijk stukgelezen en daarna gewoon weggegooid.

De Tragische Historien zijn gedrukt in gotische letters en niet in romein. Ook dat wijst op een breed lezerspubliek waartoe velen met een geringe opleiding behoord moeten hebben. Men leerde op de lagere school namelijk lezen met gotische letters. Dat ook de elite de Tragische Historien las, valt af te leiden uit het feit dat P.C. Hooft er een lofdicht op heeft geschreven.

De Tragische Historien gaan terug op een Italiaanse bundel van 186 korte avontuurlijke verhalen, vaak met een tragische afloop, Le Novelle, samengesteld door Matteo Bandello. De verhalen werden afgewisseld door gedichten. Le Novelle werd voor het eerst gedrukt in Lucca in 1554 in drie delen en had al spoedig veel succes. Er volgden drukken in Milaan en in Turijn en na vijf jaar kwamen de verhalen in het Frans uit onder de titel Histoires Tragiques. Kort daarop kregen ook de Nederlanders de smaak te pakken. In 1598 en 1601 verschenen in Antwerpen twee delen met 27 verhalen onder de titel Tragische of klachlijcke historien, inde welcke begrepen zijn zeer jammerlijcke feyten, waerachtigh gheschiedt, tot spieghel van alle menschen. Ze werden herdrukt in Rotterdam in 1608, waarna er waarschijnlijk in 1611 een derde deel aan werd toegevoegd. De verhalen kregen in het Nederlands titels als `Van de groote listicheyt ende groote subtylheyt van eenen Dief, die de schatten des Coninghs van Egipten wilde stelen'. En : `Buondelmont van Buendelmonti, een Eedelman van Florencen, hebbende sijn trouvve verlooft, met de Dochter der Amideen. Hy verlietse om een ander te nemen, daer uyt sijn verderf gesproten is'.

In 1612 begonnen de Amsterdamse drukker Cornelis Fransz en uitgever C.L. vander Plasse met de publicatie van de vervolgdelen 4 tot en met 7. De verhalen werden vertaald door de talentvolle dichter en vertaler Reinier Telle. Hierna werden Bredero en Starter te hulp geroepen. Zij moesten de in proza vertaalde gedichten weer omsmeden tot Nederlandse poëzie. Bredero en Vander Plasse kenden elkaar al van de schoolbanken en Bredero had op dat moment al naam gemaakt met zijn toneelstukken en gedichten. Vander Plasse noemt hem in het vooorwoord van deel 4 `mijnen seer goeden vrient, excellent Poeet en Rijmer'.

August Keersmaekers was al tot de conclusie gekomen dat er twee `editie-golven' in Rotterdam, Amsterdam en Utrecht zijn geweest. Tussen 1589 en 1614 was er een eerste golf en veel later, tussen 1646 en 1650, een tweede. En toen verscheen de Tragische Historien in maar liefst negen delen. Van die vroege edities schat Verkruijsse de oplage op 15.000 à 20.000. Tot voor kort was daarvan geen enkel exemplaar bekend. Dankzij een veel betere catalogisering en geperfectioneerde digitale zoekmethoden is het Verkruijsse nu gelukt om althans de delen 1, 2 en 3 (in Augsburg) en 4 (in Linköping) terug te vinden. Hij deed zijn vondst in het kader van zijn onderzoek naar de relatie tussen Amsterdamse drukkers, uitgevers en hun auteurs uit de zeventiende eeuw. Met name één drukker hield hem bezig: Cornelis Fransz. Fransz – `een onbekend drukkertje' – verkeerde in de kringen van jonge schrijvers, `dolle honden' zoals Verkruijsse hen noemt: P.C. Hooft, Bredero, Carel Quina en de nog jongere Starter.

Verkruijsse laat op zijn computer zien hoe hij de gecompliceerde editiegeschiedenis heeft gereconstrueerd, welke verhalen en welke gedichten door wie zijn vertaald, bij welke drukker de afzonderlijke delen zijn gedrukt en wie de uitgever is geweest. Het is zonneklaar dat de uitgevers destijds al snel in de war zijn geraakt. ,,Het is een rommeltje'', aldus Verkruijsse. Na het drukken bleek deel 4 niet overeen te komen met het Franse deel 4. Verhalen waren in de verkeerde volgorde geplaatst, verwisseld binnen een boek, overgeplaatst van het ene naar het andere deel en er werden nieuwe pagina's bijgedrukt, zodat de paginering niet meer klopte. Alleen door goed te kijken naar de opbouw van de boeken, naar de volgorde van katernen, naar weggesneden pagina's, naar custodes en paginanummers valt de gecompliceerde druk- en publicatiegeschiedenis te reconstrueren.

Maar de vondst biedt meer dan een louter technische editiegeschiedenis. Ze onthult ook iets van het literaire milieu en de conflicten tussen de schrijvers in Amsterdam aan het begin van de zeventiende eeuw. Er bestonden al spanningen binnen het bekende rederijkersgezelschap d'Eglantier. Enkele schrijvers hadden genoeg van de taalspelen, de strakke regels, de conventies en voelden meer voor een persoonlijke dichtvorm. De spanningen liepen zo hoog op dat een aantal vooraanstaande schrijvers zich uiteindelijk zou afscheiden. Onder leiding van Samuel Coster richtten zij in 1617 de Duytsche Academie op, een gezelschap waar ook Hooft en Bredero deel van uitmaakten.

Uit de nu ontdekte gedichten van Bredero blijkt dat er al veel eerder animositeit bestond. Niet helemaal duidelijk is of het hier om persoonlijke vetes ging of om tegengestelde literatuuropvattingen. Bredero voelde zich aangevallen op zijn vertalingen en reageert op zijn critici. Nadat hij in het ene sonnet zijn lezers, met name `Minne-quiinners', heeft opgewekt om toch vooral deze verhalen over eerzucht, hoogmoed, list, wraak, ontrouw en jaloezie te lezen, gaat hij in het sextet over op zijn critici. Die comprimeert hij in de persoon van Zoïlus (de Griekse criticus van de zogenaamde gedichten van Homerus). Zoïlus foetert op Bredero: `ghy boocht [gaat tekeer] van miin gheringhe kunst'. En dat, zo schrijft Bredero in een bescheidenheidsfrase, terwijl ik zoveel onverdiende eer van mijn vrienden ontvangen heb.

Het andere sonnet, het `Clinck-dicht tot den Berisper', is feller. Het richt zich tot hen die Bredero `uyt oude haet en niet met waerheyt' laken. Hun kritiek komt voort uit roem, uit vreugde, uit wraak omdat `mijn pen u ergens heeft gheraeckt'. Schelden is geen kunst, zo vervolgt de dichter en hij voegt daar schamper aan toe dat alleen een boer kritiek kan geven, terwijl hij zelf niet in staat is in duizend jaar iets beters te maken

Het derde nieuw gevonden gedicht van Bredero is een vertaling van een grafschrift van een zekere Fenetie Lionati, een personage uit een van de verhalen uit de Tragische Historien. Deze schone vrouw is na een valse beschuldiging de dood ingejaagd. Maar, lezer ween niet, zegt zij, omdat ik onschuldig deze wereld verliet. `Ick ben met vreucht vervult, ghenietende 't profyt van myn onnooselheyt'.

Behalve deze drie nieuwe gedichten van Bredero bevatten de teruggevonden boeken twintig gedichten van Starter (1593/1594-1626), de dichter van de liedbundel Friesche lusthof. Een daarvan is een lofdicht op Bredero, wiens roem `van eeuw tot eeuw vermeeren' zal.

De curieuze verhalen van de Tragische Historien verdienen een moderne vertaling, niet alleen omdat ze destijds zo gretig werden gelezen en op latere auteurs invloed gehad moeten hebben, maar ook omdat ze in al hun absurdisme, fantasie en dramatiek nog altijd lezenswaardig zijn. De uitgever moet dan niet nalaten de handgeschreven opdracht van een verliefde jongeman op te nemen. Verkruijsse vond die in het Augsburgse exemplaar van de Tragische Historien. Die jongeman, een zekere Zacharias Fortenback, gaf in 1617 het boek aan zijn geliefde ten geschenke. `Aymer est necessaire', zo stelt hij vast, liefhebben is noodzakelijk. En dan volgt in een mooi handschrift:

Wie voor liefde, liefde geeft te loon

Dracht [draagt] boven alle joffrouwen

de croon

Het meisje, Johanna van Hurck, had een beduidend slechtere hand, maar was zeker niet van gisteren. In haar hanepoten schreef zij de regels:

Die daer leeft

in trou vast op

nijders tongen

niet en past

want sij eer worden

bedrogen als

oorgus met al

sijn oogen

(wie in vaste trouw leeft, hoeft niet op zijn hoede te zijn voor de tongen van roddelaars, want die worden nog eerder bedrogen dan Argus met al zijn ogen.)

Voor meer informatie:

http://www.hum.uva.nl/bookmaster

/bredero&starter (vanaf 1 november)

SONNET, op de droeve gheschiedenisse

GHy Minne-quiiners staackt u suff end' kuerich mallen,

V harteloose zorch, u vrye slaverny,

V bitter-soet verdriet, u wiise rasery,

V geyle dolle lust, en u moedtwillich dwalen.

Hoort dees vertaelder eens heel eygentlick verhalen

De droeve eynden van de sotte vryery,

Van eer-sucht, hoochmoedt, list, wraeck, ontrouw, Ialousy,

Tot spiegel, nut en lust, verduytscht in duytscher talen.

Wat grimmert zit daer gints en gluert met slings ghesicht?

't Is Zoylus die erkauwt miin ongehavent dicht,

Daer tock'lend' hy met stooct zyn laster-mont vol schanden:

Hy raest om dat ghy boocht van miin gheringhe kunst,

dees onverdiende eer (in danck miin vrienden gunst)

Veroorsaect my meer smaets van bitse snoo vyanden.

G.A.B. 'tCan verkeeren.

Clinck-dicht tot den Berisper.

GHy die uyt oude haet en niet met waerheyt laeckt

maer toont u schalck begrip int vinden der gebreken,

Wt roem, uyt vreucht, uyt nijt, uyt wreeck-lust om te wreken,

Van daer misschien mijn Pen u ergens heeft gheraeckt.

Dees Rijmen zijn niet al, doch meest van mijn ghemaeckt,

Onwaerdich om by 't Frans te werden vergeleken,

Ick kent, ick lijt: maer ghy kundt niet dan lachter spreken,

doch Schemper saechdy 't proos villicht ghy beter spraeckt.

Maer wat? U bosen aert die keertet al ten boosten:

Voor 'tweynich van mijn doen sal ic my 'tsnappen troosten:

Doch van eens anders werck begheer ick schand' noch eer.

Het schelden is geen kunst. Een Boer sal stout'lijck wraken

Tgheen hy in duysent jaer niet schoonder en soud' maken:

Berispt, verbetert, sticht den Leerling door u leer.

G.A.B. 'tCan verkeren.

Sonnet op de Tragische Historien

Jullie, die lijden aan liefdesverdriet, hou op met dat domme en rare gedoe,

met jullie harteloze bezorgdheid, jullie vrijwillig verkozen slavernij,

jullie bitter-zoet verdriet, jullie wijze krankzinnigheid,

jullie geile dolle lust, en jullie moedwillig dwalen.

Hoor deze vertaler eens geheel naar waarheid vertellen

over de slechte afloop van de zotte hofmakerij,

over eerzucht, hoogmoed, list, wraak, ontrouw, jaloezie,

als een spiegel, tot nut en vermaak, vertaald in het Nederlands.

Maar welke knorrepot zit daar te gluren met een gluiperig oog?

Dat is Zoylus, die eindeloos zit te kauwen op mijn ongepolijste dichtwerk,

waarop hij, al stokend, zijn schandelijke laster mond laat schimpen.

Hij gaat tekeer omdat jullie lof spreken van mijn onbeduidende kunst;

deze niet verdiende eerbewijzen van mijn vrienden (waarvoor dank)

veroorzaken alleen nog maar meer kritiek van mijn vijanden.

Sonnet aan de criticasters

Jullie die uit oude haat zonder een grond van waarheid kritiseren,

en een valse voorstelling van zaken geven door alleen op de gebreken te letten,

hetzij voor eigen roem, met plezier daarin, uit afgunst, of uit louter wraak,

omdat mijn pen jullie wellicht ergens heeft getroffen.

De meeste van deze gedichten - niet alle - zijn door mij gemaakt,en niet waard om ze met de Franse originelen te vergelijken.

Dat erken ik, dat is zo. Maar jullie kunnen niets anders dan ze veroordelen.

Maar, criticasters, als je het proza zou zien (waarnaar deze gedichten bewerkt zijn), dan zouden jullie wellicht milder oordelen.

Maar hoe het ook zij, door jullie slechte karakter kunnen jullie alleen maar kwaadspreken.

Wat betreft het weinige dat ik gedaan heb, zal ik me jullie kritiek laten welgevallen,

maar voor zover het het werk van anderen betreft, wil ik schande noch eer ontvangen.

Schelden is geen kunst. Alleen een boer zal overmoedig kritiseren

wat hij zelf in geen duizend jaar beter zou kunnen doen.

Geef de leerling [= mij] liever opbouwende kritiek op grond van jullie principes.

(vertalingen door dr. P.J. Verkruijsse en prof. dr. E.K. Grootes)