Bbpprrrrrrrr dan gaat het lopen

K. Michel schrijft heldere en absurdistische gedichten met een tragische grondtoon. Van het predikaat `denkende dichter' wil hij niets weten. ,,De diepte moet in de mooie metafoor zitten.''

`Als ik aan het werk ben, ben ik net zo'n Schotse collie. Ik draaf om de woorden heen als om schapen, om ze een bepaalde richting op te krijgen. Want woorden hebben de neiging te bewegen en alle kanten op te rennen.''

De dichter K. Michel is een beste schaapshond. De woorden gehoorzamen hem. Onlangs verscheen zijn vierde bundel Kleur de schaduwen, de opvolger van Waterstudies, waarvoor hij de VSB-poëzieprijs 2000 en de Jan Campertprijs 2000 kreeg. Michel (1958, echte naam Michel Kuijpers) schrijft gedichten in heldere bewoordingen, beheerst en absurdistisch, met een tragische, weemoedige grondtoon.

Zelf is hij afkerig van dergelijke definities van zijn poëzie. Vandaar ook de vergelijking met de hond. ,,Ik zit met mijn neus bij de grond. Ik heb geen helikopterview.'' Van pogingen zijn werk te definiëren wil hij niets weten. ,,Allemaal verarming. Labels. Ik wil niet in een hokje.'' Leg hem een interpretatie voor en hij schokschoudert. Grimast, en perst er een ,,mwwja'' uit. Michel houdt het raadsel van zijn poëzie graag intact. Maar hij praat te graag om niet het nodige uit de doeken te doen. Zolang we onze neus maar bij de grond houden.

K. Michel noemt zich een `intuïtief soort schrijver'. ,,Nieuwsgierigheid is mijn drijfveer. Ik heb een begin en dan kijk ik hoe ver ik kom. Sommige gedichten zijn binnen een paar dagen klaar, andere nemen maanden om te schrijven. Ik ben volhardend. Ik hou het rustig vol om twee jaar te denken: dat zit niet goed, maar waar? Dat is niet tevergeefs. Wat ik er dan nog aan doe, is ook helemaal niet spectaculair. Een woord veranderen of een regel snoeien. Ik rommel in mijn schriften en kijk of ik wat kan opkweken. Als een tuinman.''

De krabbels met zwarte viltstift in een werkschrift (groot formaat met ringband en ruitjespapier) laten zien hoe gedichten beginnen. ,,Kijk, hier begint het gedicht over de opstandige kinderen.'' Michel doelt op `Bericht van het eiland'. In het schrift staat te lezen: `De kinderen komen in opstand, te veel speelgoed, te veel snoep, zat zijn ze de cola.' ,,Allemaal eruit geknikkerd. Hier, ook een fijne regel: `Brei om te leren slapen een schaap.' Nog niks mee gedaan. Lekker melig. Hier een andere mededeling: `Eigenaardig dat het landschap van Mars in de beelden/ opnamen die de Voyager stuurt sprekend lijkt op de Drunense duinen.' Dat wordt nooit wat, maar ik schrijf het toch maar even op.''

Het lange slotgedicht in de nieuwe bundel, `Monk leeft', begon met het idee dat een gedicht zijn eigen ontstaansgeschiedenis laat zien, vertelt hij. ,,Vanuit mijn raam zag ik een stel dalmatiërs een zebrapad oversteken en het park inlopen. Dat was de anekdote. Een paar weken later bedacht ik de volgende regel: `in de coulissen onder mijn schedeldak'. Op een elegante manier neemt die regel je van de waarneming mee het hoofd van de verteller in. Dat hoofd is meteen ook een theater. Die regel is de scharnier van het gedicht. In dat theater laat ik mijn associaties voorstellingen geven, een bonte optocht die voortkomt uit de twee ritmes van vlekken en strepen. Zonder dat theater zou het gedicht bestaan uit reflecties op mijn associaties. Dat is me te droog en grauw. Ik wil er beelden bij.''

Theater eindigt met een vast ritueel. ,,Applaus. In het theater viel het me op: wat is applaus toch eigenlijk mooi. Een zee van geluid, het steekt op, etc. Dat is een constructie waar ik dan van alles mee probeer. Applaus klinkt als ruisen en ruisen kan op allerlei manieren. Uiteindelijk laat ik het ruisen als de bladeren van het park waar de honden in verdwijnen.

,,Ik denk heel simpel. Het uitgangspunt is: dalmatiërs, zebrapad, twee ritmes. En dan probeer ik door te gaan. Zandkorrels, sneeuwvlokken, vanwege het vlekkenpatroon bij de honden. Een zebrapad heeft zwart-witte strepen. Als de wijzers van een klok. Die klok heeft een wit gezicht. Zo kom ik op `domme august' en `witte clown'. En dan'', de dichter imiteert een brommer, ,,bbpprrrrrrrr, dan gaat het lopen.''

Aha. Dat associaties de leidraad zijn verklaart veel in het springerige en jazzy `Monk leeft'. ,,Ik probeer verschillende dingen tegelijk: de boel openhouden én zorgen dat het samenhangt.'' Openhouden is voor Michel ,,regels monteren op een hoekige manier''. Om het uit te leggen, springt hij naar een ander gedicht, `Okay'. Dat begint met:

`Eerst een paar feiten:

De mens is het enige wezen dat huilt

Waarom (apen niet?) weten we niet

Zoals er twee soorten stilte zijn

Heb je twee soorten naakt

Een kaart is een landschap

Dat je op kunt vouwen'

Zie hoe `hoekig', ogenschijnlijk zonder verband, de `feiten' in dit gedicht op elkaar volgen. Michel: ,,Het is alsof ik voor het eigenlijke werk een paar huishoudelijke mededelingen doe. Het begint opgewekt, met een soort knal. Bam. Volgende feit. De toon prikkelt mij hier. Ik vind het grappig om te zeggen: de mens is het enige wezen dat huilt. Dat is ook waar trouwens. Ik heb een heel dik boek over de geschiedenis van het huilen gelezen.'' Zulke boeken leest Michel graag. Primaire zaken als eten, huilen, lachen hebben zijn belangstelling. ,,Waarom doen mensen dat nou? En hoe gaat dat precies?''

Na het malle begin vindt Michel `Okay' nog wel een serieus gedicht worden. ,,Het gaat ook over vergankelijkheid, of hoe zullen we dat noemen.'' Regels als: `De boodschap van het DNA luidt/ draai de sleutel in je rug om' klinken niet al te ernstig. ,,Nee, maar dat is een dubbelzinnige opmerking, omdat het een affront is aan het zelfbewustzijn van mensen. Hoezo is het DNA de baas van ons? Bovendien zegt het DNA tegen ons: je bent een poppetje, een opwindmechaniek. De dubbele helix van DNA ziet er ook uit als een schroevende sleutel. De bewering geeft aan dat het leven bijna iets mechanisch' is.''

De volgende regels in het gedicht benaderen dat idee van een andere kant. `Dingen zonder stekker hebben geen storing/ dingen zonder stekker/ behalve hij die zich afvraagt/ wat er wordt geteld in `hoe laat is het'.'

,,Tafels en stenen kennen geen storing. Wij wel. Dat is prettig aan een gedicht: dat het bijna onnozel klinkt, tata tata tatah, en dat het aan de andere kant grimmige accenten verbergt. Het heeft een oppervlakte en een diepte, zoals een toneel voorgrond en achtergrond kent. Gedichten moet je heel vaak kunnen lezen. Daarom zorg ik ervoor dat een gedicht plooien heeft, waarin ik dingen verstop. Het gedicht moet een oppervlakkige lezing toestaan die bevredigend is: het is lollig of verdrietig. Maar het moet ook ruimte bieden om er vervolgens langer over na te denken.''

Vergankelijkheid

K. Michel wordt een denkende dichter genoemd. ,,Dat schrijven critici omdat op de flap staat dat ik filosofie heb gestudeerd, maar ik beschouw mezelf niet als een denker. Ook niet in poëzie. Ik hou van hoe het klinkt, van wat er te zien is en van wat er in beweging wordt gebracht. De diepte moet in de mooie metafoor zitten. Als ik mazzel heb, heb ik een beeld te pakken dat tegelijk een concept is. Een paar gedichten gaan over het verstrijken van tijd, over vergankelijkheid. Ik ben tevreden als ik een beeld beschrijf waarin je dat kan zien.''

Gevraagd om een voorbeeld zegt hij eerst ,,valserik, daar heb ik geen zin in'', maar verwijst dan naar het gedicht over Eckermann. ,,Dat is in feite één grote metafoor. En door die vervelende Goethe wordt hij ook nog uitgelegd.'' In het gedicht `Uit de aantekeningen van Eckermann' vertelt een reiziger bij het ontbijt aan Goethe en zijn secretaris dat hij 's nachts in het stikkedonker de deur naar de gang niet kon vinden. Tot hij besefte dat hij niet thuis is en op de verkeerde plaats zoekt. Goethe zegt daarop `dat de meeste mensen/ zich zo door het leven bewegen/ Niet wat er is nemen ze waar/ maar wat ze verwachten, op grond/ van een oud schema dat slaat/ op een andere situatie (...)'

Het gedicht `Als bootjes in het donker' is volgens de dichter een variant hierop. Kernregel is: `Als bootjes in het donker leven bewegen wij langs elkaar heen'. Michel: ,,Dat gaat over hoe wij leven. Het gedicht is een verbeelding én een uitspraak over het leven. De laatste regel zet dit weer in een ander perspectief: `Ja, maar welk donker?' Voor wie blind geboren is, bestaat het donker niet.''

Intussen is de term `vergankelijkheid' al tweemaal gevallen. Michel corrigeert zichzelf: ,,Dat is wel plechtig gezegd hoor, oubollig ook. De wezenlijke inhoud van mijn poëzie is niet een of ander thema. In dat opzicht is een gedicht niet anders dan een bloemkool. Het wezen van de bloemkool is de bloemkool zelf, het zit er niet naast of onder. Als ik schrijf denk ik niet: ik ga nu de tijd verbeelden. Ik denk met mijn vingers.''

Dat sluit niet uit dat gedichten een vergelijkbare strekking hebben en dat motieven, regels en woorden worden herhaald. Ook uit andere bundels. Het woord `tuinmeubelkussenbewaartas' in het gedicht `Uit de bomen afgedaald' staat ook in de bundel Boem de nacht'. Michel: ,,Ik was te lui om een nieuw woord te zoeken. Ik wilde een pierlala-lang woord. Zo'n moderneconsumptiemaatschappijgedrocht. Coherentie is per gedicht belangrijk, en voor de bundel als geheel. Maar ik ben niet een oeuvre aan het scheppen. Ik ga niet denken: ik herhaal dit woord, want dat verhoudt zich zo en zo tot de vorige bundel. Dat is heel vermoeiend.'' Het woord staat voor wansmaak. ,,Ja, maar ik hanteer het ook met wellust. In `Boem' maakte ik een opsomming van dat soort woorden. Heerlijk! Mooie monsters!''

Dat `Uit de bomen afgedaald' commentaar geeft op onze beschaving, daar wil K. Michel niet van weten. ,,Een civilisatie-theorie wil ik er niet aan ophangen. Laat dat arme gedicht met rust, het zegt al genoeg. Het is heel simpel: er is vooruitgang geboekt in de wereld, maar er is ook een enorme bende van gemaakt. Ik wil daar best iets over zeggen, maar dat wordt zo slordig. Ik schrijf liever dit gedicht.''

Ontbijtober

Zo komen we op de vooruitgang die hij zelf heeft geboekt: hij geldt als een van onze belangrijkste hedendaagse dichters. Maar de vraag of hij nu is wat hij hoopte te worden, doet hem onbedaarlijk lachen. Na zijn schooltijd werkte Michel als ontbijtober in Londen. De middagen waren vrij, voor de stad verkennen met vrienden. Hij ontdekte er talloze dichters in vertaling, zoals Octavio Paz, César Vallejo, William Carlos Williams en Nicanor Parra. Hebben ze hem op weg geholpen? ,,Al die lui! Ik moet ze allemaal dankbaar zijn. Ik heb meer van die buitenlanders opgestoken dan van de Nederlandse dichters. Niet omdat er iets mis is met de Nederlanders, maar in de tijd dat ik het meest vatbaar was voor beïnvloeding zat ik in Londen. Als je jong bent kun je makkelijk diverse wereldschokkende ontdekkingen per dag aan.''

Het leverde hem voor het leven een internationaal georiënteerde smaak voor literatuur op. Gevraagd naar zijn tegenwoordige voorbeelden somt hij een lange rij namen op. ,,Tomas Tranströmer. Mooie, plastische beelden. Ook een held is Charles Simic. Amerikaan uit Joegoslavië. Russel Edson. Behoorlijk duistere stuff met veel humor erin en allemaal gedoe over families. Wie ik erg goed vind, is Gerrit Kouwenaar. De enige dichter ter wereld die op zijn tachtigste nog een steengoed, vitaal boek kan schrijven. Milosz misschien ook. Maar Kouwenaar is beter.''

In `Kleur de schaduwen' staat de dichter zich meer losheid toe. ,,Ja, die vissen in `Ook de vissen' toeteren maar raak. Maar hun bloemrijke taal is functioneel. Als het aan mij ligt dan moeten de meeste adjectieven eruit.'' In de eerste twee bundels Ja! Naakt als de stenen en Boem de nacht stonden veel gedichten in de gebiedende wijs; op deze manier: `Dichter!/ Kam je haar poets je schoenen!/ trek je innerlijk aan!' Dat leverde een aangenaam kortaffe toon op. ,,Toen wilde ik heel kaal schrijven. Niet vanwege het strenge, maar ik dacht: dan is het intensief. Daar ging het me om: felheid.''

Het leverde ook een zelfbewuste presentatie op: hier ben ik. Was dat bewust? ,,Ja, maar dat was ook dollen. Ik hou me nooit zo bezig met mijn eigen ik.''

Het meest poëticale gedicht in het debuut gaat over doordringen tot de kern. In het titelloze gedicht staat: `om tussen de woorden de wereld/ in al hun veelvoud// om tussen de woorden de dingen/ in al hun enkelvoud// (...) te zien zonder/ aap noot mies ertussen'. Heeft Michel het gevoel dat woorden een hindernis vormen?

,,Nee, zonder aap-noot-mies betekent niet zonder woorden of taal ertussen. Aap-noot-mies is de lesmethode via het leesplankje, waarbij wordt gezegd: dat is het plaatje van de aap en dat is het woord van de aap. Het staat voor een bepaald stramien, voor conventies. In die tijd – en dat is al meer dan twintig jaar geleden, zo oud is dit gedicht – had ik een kritische, agressieve houding ten opzichte van conventies. De dingen moesten op een nieuwe manier worden bekeken. Onbevangen. Om te zien of de aangeleerde manier wel klopte. Dat onderzoekende heb ik nog steeds.''

Toch lijkt de strijd tegen conventies niet gestreden. In Waterstudies uit 1999 staat nog het gedicht `Indringend lezen volgens dr. Drop', voor generaties middelbare scholieren de lesmethode voor het interpreteren van literaire werken. Michel: ,,Dat was klieren. Dropje pesten. Ik steek nu eenmaal graag de draak met dingen. Het is een goed uitgangspunt bij het schrijven van poëzie. Dat plechtige gedoe, we doen gewoon hup. Een zekere baldadigheid is heel nuttig.''

`Ik rommel in mijn schriften

en kijk of ik wat kan opkweken'

`Dat is prettig aan een gedicht:

dat het bijna onnozel klinkt'