Alles is gericht op toetreding

De betrekkingen tussen Brussel en Ankara zijn sinds jaar en dag gericht op volledige toetreding van Turkije tot de EU. Sinds 1963 bestaat er een associatie-akkoord gericht op wederzijdse erkenning van rechten en plichten in het handelsverkeer. Op 1 januari 1996 is ook een douane-unie in werking getreden. Daarin streven beide partijen geleidelijke liberalisering van handel en diensten na. Sinds maart 2001 is daar het partnerschap voor EU-toetreding bovenop gekomen, dat moet worden gezien als voorportaal voor (onderhandelingen over) definitieve aansluiting bij de EU. Dergelijke speciale betrekkingen onderhoudt de EU ook met IJsland, Noorwegen en Zwitserland – landen die de Europese Unie graag wil `inlijven', maar die daar weinig voor voelen.

Het Franse parlement wil de optie van een geprivilegieerd partnerschap, zoals eerder voorgesteld door de Duitse christen-democraten, openhouden als mogelijke uitkomst van onderhandelingen met Turkije. Dat is bij EU-uitbreidingen nooit eerder zo expliciet verwoord. Maar in zekere zin is het ook een open deur. Want onderhandelingen kunnen mislukken. Bovendien vereist de beslissing over toetreding eenstemmigheid onder de EU-landen. Die kan door nationale parlementen, al dan niet na referenda, worden getorpedeerd. Wat dan rest zijn de bestaande overeenkomsten.