Vrij vliegend management

,,Kunt u niet eens iets schrijven over de wisselwerking tussen het vrij vliegende management en de grondgebonden werkvloer'', scheef een lezer me naar aanleiding van een van mijn vorige stukjes. Hij werkt bij een grote organisatie in de openbare dienstverlening, en omschrijft zijn functie als `managementondersteuner'.

Ik moest bij dat managementondersteuner denken aan de Astérix-strip. Als het dorpshoofd Abraracourcix iets officieels heeft te proclameren, zoals weer eens een aanval op het nabij gelegerde Romeinse garnizoen, dan moet dat gebeuren vanuit een verheven positie. Daartoe moet hij eerst op een schild gehesen worden. Die schilddragers, zijn dat zijn managementondersteuners of is er iets anders aan de hand? Wat bezielt die mannen dat zij zich inspannen om een buikig dorpshoofd te torsen? Wat brengt hen ertoe als `grondgebonden werkvloer' het `vrij vliegende management' te ondersteunen en hoog te houden?

Ik was laatst op bezoek bij een topbestuurder van een grote Nederlandse onderneming. Op zijn werkkamer had hij een enorme Afrikaanse levensboom staan, zo'n grote sculptuur van kunstig gesneden hardhout waarin allemaal mensenfiguurtjes in lastige houdingen op elkaar staan en elkaar dragen. Toen ik er wat beter naar keek, zag ik dat alle dragers, ondanks hun moeilijke houdingen, er redelijk tevreden uitzien. Alleen de bovenste, het figuurtje dat door iedereen gedragen wordt en dat zijn hoge positie aan alle anderen te danken heeft, kijkt verbijsterd en verdwaald omhoog. Wat doe ik hier, wat wordt er van me verwacht, waar dient dit toe, lijkt hij te zeggen. Alsof hij blij zou zijn als er straks een ander boven hem kwam te staan die hij mag torsen. Dan is hij van zijn vraag verlost en weet ook hij waar hij voor dient, namelijk een ander te dragen.

Bij zo'n levensboom gaat het natuurlijk om generaties, en het beeld helpt ons te beseffen dat we erfgenamen zijn van talloze geslachten voor ons. We staan op hun schouders, en het is aan ons om een antwoord te geven op hun vraag of het zin had wat zij deden. Meestal wordt dat niet in woorden uitgesproken, maar krijgt het vorm in de bereidheid hun voorbeeld te volgen en het leven door te geven.

Het is wel mooi dat die levensboom in een directiekamer staat. Want net zoals het in de lijn der geslachten telkens aan de laatste, nu levende generatie is om alle voorgaande van waarde te verklaren en te legitimeren, zo is het aan de hoogste in een organisatie om aan al die anderen onderop duidelijk te maken dat het zinvol is wat zij doen, en waarom. Dat is de belangrijkste verantwoordelijkheid van de topman of -vrouw: de zin, de energie, de geest van de organisatie.

Daarbij kan het bevreemden dat hij als enige niets lijkt te dragen terwijl alle anderen hem steunen. Wat hij draagt is niet concreet zichtbaar, hij torst het vraagteken. Daarom ook kijkt de hoogste in de levensboom omhoog: in dit soort dingen zit de zin van iets nooit op het niveau van de vraag, maar altijd tenminste een etage hoger. Het kan natuurlijk ook zijn dat de hoogste het vraagteken weigert of niet weet te dragen. Dan wordt hij een parasiet en een uitbuiter.

Dit riekt naar filosofisch idealisme en religiositeit, en misschien is het dat ook wel. Maar laten we niet doen alsof dat vloeken is in de kerk van organisatieland. Er is een onstilbare honger naar hogere doelen en zingevende kaders, getuige een duidelijk religieus getint begrip als mission statement, de immer terugkerende vraag naar visie, of actuele managementboeken als The Goal van Goldratt, Synchronicity van Jaworski, The Guide to Liberating the Corporate Soul van Barrett of Flow van Csikszentmihalyi. En het is geen wonder ook.

Want alleen het hogere doel geeft zin aan de inspanning van allen, en vooral aan het werk van de brede massa van schilddragers. Mét een hoog doel zijn zij bezig hun organisatie en zichzelf te verheffen. Zij doen dat door hun leider ietsje dichter bij de hemel te tillen opdat hij beter verbinding krijgt met wat goed is voor allen. Zonder hoog doel zijn zij alleen bezig een dikke, zware vent te helpen zich af te zonderen van waar hij niet bij wil horen – namelijk bij henzelf, het gewone volk dat hem draagt. Dan volgt immanentie, een gestagneerde zelfgerichtheid die uitmondt in platte uiterlijkheid en machtsstreven. Waar dat heerst, is het niet fijn werken.

Jaren geleden las ik een interview met de Deense koningin Margrethe dat me is bijgebleven. ,,Natuurlijk geloof ik in God'', zei zij. ,,Waar zou ik me anders op moeten richten?'' Ik heb de neiging te geloven dat dit meer was dan een persoonlijk belijden, en dat zij sprak als koningin, als hoogste van het land. Door zelf gericht te zijn op wat haar als hoogste overstijgt en wat zij God noemt, geeft ze waardigheid aan alle Denen. Die zijn zo ten opzichte van het koningschap met iets meer bezig dan een middelbare dame te voorzien van een overdaad aan juwelen, paleizen en huispersoneel.

,,De wisselwerking tussen het vrij vliegende management en de grondgebonden werkvloer'' – het is mooi gezegd. Als het management vrij rondvliegt, heeft de top zich losgezongen van de basis. Dan is de wisselwerking nul.

De basis kan zich niet verheffen, want er is geen hoger doel waar de mensen zich mee kunnen verbinden. Zij zien geen zin in het werk en bijgevolg verdwijnt de zin om te werken. En de top schaft zich, als surrogaat voor een open blik omhoog, managementondersteuners aan. Opgetild van de vloer en niet verbonden met boven. Inderdaad, vrij vliegend management, hangend tussen hemel en aarde en nergens heen op weg.