Oud-collega's leggen zwartepiet bij Meurs

Op de eerste dag van het Ahold-proces poneerden de verdachten stevige verwijten aan het adres van Justitie. Maar de gewenste wending in de rechtsgang werd door de rechters verworpen.

Harde woorden waren er voorspeld en harde woorden kwamen er. Op de eerste zittingsdag van het Ahold-proces karakteriseerden de advocaten van de vier verdachten het onderzoek van het openbaar ministerie (OM) naar de boekhoudfraude van het supermarktconcern als een ,,absurde complottheorie'' en ,,ontoelaatbaar eenzijdig''. Officier van justitie Hendrik-Jan Biemond kaatste de bal terug en noemde die kwalificaties ,,verdediging voor de publieke tribune. Dat mag, maar het zegt ook wat over de kwaliteit daarvan''.

Zo was de toon gezet in een procesdag waarin de raadslieden op verschillende manieren probeerden een wending in de eerste fase van de openbare terechtzittingen te krijgen. Voormalig topman Cees van der Hoeven eiste dat zijn hele vervolging op de helling ging. En de raadslieden van de andere drie verdachten (oud-bestuurslid Jan Andreae, voormalig financieel bestuurder Michiel Meurs en oud-commissaris Roland Fahlin) wilden dat het OM niet ontvankelijk werd verklaard omdat het onderzoek niet zou deugen en de rechten van de verdachten zouden zijn geschaad.

Beide acties strandden. Van der Hoeven kreeg gisteren al te horen dat zijn vervolging gewoon doorgaat; de wensen van de andere drie werden vanochtend verworpen. Vandaag wordt verder bepaald hoe het vooronderzoek vorm krijgt en welke getuigen moeten worden gehoord. De echte inhoudelijke behandeling begint pas over enkele maanden.

Toch gaf de dag van gisteren al een goed beeld van de inhoud van de verdediging van de vier ex-Ahold topmensen. Met name Van der Hoeven heeft een offensieve strategie ontwikkeld. Nog vóór de behandeling van zijn bezwaarschrift, gaf hij een stevig persbericht uit, later gevolgd door een uitgebreide toelichting. Daarin werd intensief ingegaan op de kern van de rechtszaak: de zogenaamde `side letters-affaire', geheime contracten die elkaar tegenspraken over de zeggenschap van Ahold in vier verschillende buitenlandse samenwerkingsverbanden. Het Zaanse concern deed het daar voorkomen alsof ze de baas was, maar hield een side letter die dat weersprak achter voor de accountant.

Mochten de omzetcijfers van die joint ventures nou worden meegeteld in Aholds boeken (in vaktermen: consolidatie) of niet? De verdediging wil deze technische boekhouddiscussie graag onderdeel maken van het strafproces. Accountants denken verschillend over de problematiek en dat kan relativerend werken op de verdenkingen van het OM.

Van der Hoevens raadsman Micha Wladimiroff ging er voor de rechtbank uitgebreid op in: Ahold mocht dan op papier niet de doorslaggevende zeggenschap in de joint ventures hebben, in de praktijk was dat wel het geval. Sterker: het meetellen van de dochters was niet eens relevant, omdat het geen financiële consequenties had: ,,Consolidatie heeft niets met de business te maken, niets, nul'', aldus Van der Hoeven in een van zijn eerder afgenomen verhoren bij opsporingsdienst FIOD-ECD.

Het openbaar ministerie zal daar het een en ander tegenin brengen. Niet voor niets zijn bij de Zaanse onderneming de omzetcijfers na het boekhoudschandaal gecorrigeerd. Bovendien is de financiering van Ahold deels afhankelijk van omzet-achtige doelstellingen.

Overigens ziet het OM de hele technische boekhouddiscussie als bijzaak. Voor Justitie is vooral relevant dat er twee tegenstrijdige overeenkomsten circuleerden, waarvan er eentje bewust werd verzwegen. Daardoor kregen accountant, publiek, beleggers en investeerders een vertekend beeld van de onderneming. Dát is voor het OM de kern van de vervolging.

Van der Hoeven droeg in zijn bijdragen voor de rechtbank twee duidelijke signalen uit: de hele consolidatiediscussie is overtrokken en stond bovendien ver van mij af. En, áls er al iets is misgegaan, bijvoorbeeld met de side letters, dan had ik daar niets mee te maken. Maar in het 15.000 pagina's tellende dossier zitten nog wel enkele feiten en verklaringen die over die theorie vragen oproepen. Bijvoorbeeld over het handelen van Van der Hoeven in november 2002, toen hij werd geïnformeerd over het bestaan van nóg drie geheime contracten. De CEO besloot toen geen opening van zaken te geven aan zowel de accountant als aan onderzoekers die destijds de kwestie al intern onder de loep namen.

Van der Hoeven, zo bleek uit het pleidooi van zijn raadslieden, wijst in de side letters-affaire toch vooral naar Meurs, de voormalige financiële topman (CFO). Die was er verantwoordelijk voor, betoogde raadsman Wladimiroff van Van der Hoeven voor de rechtbank, dat de gewraakte side letters werden gemaakt en niet aan de accountant werden verstrekt: ,,De uitvoering op het punt van financiële aangelegenheden, de administratie daarvan en het bergen van documenten (..) wordt bestuurd door de CFO''.

Later op de dag memoreerde ook de advocaat van Andreae en Fahlin, Jan Sjöcrona, fijntjes dat Meurs in zijn eerder afgelegde verhoor bij de FIOD-ECD zou hebben toegeven dat het besluit over de side letters ,,door hem, alleen door hem en zonder overleg met anderen is genomen en dat hij dat nooit aan anderen heeft meegedeeld''. Het illustreerde dat de zwartepiet in het Ahold-dossier steeds meer richting Meurs gaat, de enige verdachte die gisteren niet persoonlijk aanwezig was.

Na afloop verkondigde Van der Hoeven op de stoep van de rechtbank voor de televisiecamera's dat hij niet van plan was met de vinger naar mede-verdachten te wijzen. Maar binnen in de rechtszaal was zijn boodschap duidelijk: ,,Het ligt niet op de weg van de president van een grote onderneming om er van op de hoogte te zijn welke documenten in de bedrijfsadminstratie worden opgenomen.''