Nederland vernietigt de onderzoeksdrift

Nederland doet het slecht op het gebied van innovatie. Elk initiatief wordt verstikt door een houding van `doe maar gewoon', meent Enrico Perotti.

Uit vergelijkend internationaal onderzoek naar concurrentieniveaus blijkt dat de Nederlandse economie langzaam maar zeker afglijdt. Buitenstaanders prijzen onze degelijke en sterke intellectuele en industriële infrastructuur, maar zien ook veel negatieve kanten: de zwakke prestaties op het gebied van innovatie; een wijdverbreide voorkeur voor gedetailleerde en bemoeizieke regelgeving; en algemene onverschilligheid voor de langzame kwaliteitsdaling van goederen en diensten. Deze problemen doen zich ook in andere Europese landen voor. Geen enkel land lijkt de doelstellingen te kunnen halen van het Lissabonakkoord: Europa in 2010 tot het meest dynamische economische gebied maken.

Er wordt veel gedebatteerd over de vraag waarom Nederland het zo slecht doet op het gebied van innovatie. Het probleem is simpelweg de algemene instelling. Die is ongeschikt om de uitdagingen van innovatie op te pakken. Nederland lijkt er instinctief de voorkeur aan te geven om innovatie te stimuleren op een van bovenaf gestuurde, gecentraliseerde en aan strakke regels gebonden manier. Dat past bij de nationale hang naar orde en voorspelbaarheid en bij de afkeer van competitie die op veel plaatsen zichtbaar wordt. Scholen, universiteiten, ziekenhuizen en zbo's (zelfstandige bestuursorganen) gaan voortdurend samen in steeds grotere verbanden, met voorspelbaarheid en overzichtelijkheid als doelen, ten koste van initiatieven en competitie. Dit resulteert in nog grotere bureaucratieën, die van nature geneigd zijn hun eigen voortbestaan veilig te stellen via micromanagement.

Het zal natuurlijk nooit worden toegelaten dat grote instellingen en bedrijven failliet gaan, waardoor ze ook geen prikkel hebben om te concurreren en te innoveren. In dit verband heeft de mededingingsautoriteit ook nog niet echt haar tanden laten zien.

Een voorbeeld. Ik was geschokt door de recente plannen voor samenwerking tussen de belangrijkste technische instituten in Nederland. We krijgen in feite een kartel voor technisch onderwijs. Toen de oud-minister van Onderwijs Loek Hermans werd gevraagd of hierdoor de conconcurrentie niet zou verdwijnen, antwoordde hij dat hij zich dat niet kon voorstellen (NRC Handelsblad, 16 maart). Dat is nogal geruststellend. Je kan nu al voorspellen dat de collegegelden zeker niet omlaag zullen gaan. En is er sprake van een serieuze poging om internationaal talent aan te trekken? Nee, er zijn nog veel te veel barrières voor immigratie van getalenteerde onderzoekers en studenten.

Innovatie kan je, per definitie, niet plannen. Je moet ernaar streven door creatief denken en een intense uitwisseling van ideeën en gedachten te stimuleren. Als je probeert het te managen, roep je alleen maar meer obstakels in het leven, want regels belichamen conventioneel denken. En bij innovatie gaat het erom, om door middel van onderlinge concurrentie onconventionele manieren van denken en werken te stimuleren. Onderlinge concurrentie prikkelt de inspanning van een onderzoeksgroep en intensiveert het streven naar excellentie.

Dit kabinet praat al geruime tijd over de noodzaak van innovatie, maar zijn belangrijkste beleidsinitiatief is de instelling van een loodzware commissie hiervoor, met een taakopdracht die veel te breed is. Het bezwaarlijkste aan dit Innovatieplatform is zijn samenstelling. Waarom zit het vol met politici, topambtenaren en belangrijke directeuren van grote bedrijven? Waarom zijn zoveel gevestigde belangen vertegenwoordigd? Waar zijn de orginele opvattingen en inzichten die de starheid van het systeem kunnen doorbreken? Wat nu als de belangrijkste manier om te innoveren een breuk met het systeem is?

Het Nederlandse economische en politieke bestel dient juist te worden bevrijd van de overvloed aan regels, de te sterke concentratie, het zwakke mededingingsbeleid, de afkeer van concurrentie (die vaak onverwachte maar ook dynamische effecten voortbrengt) en het in zichzelf gekeerde bureaucratische denken.

Innovatie wordt veel te veel van bovenaf benaderd. Dat is geheel en al in strijd met echte creativiteit, die meestal van onderaf opborrelt. Daarom is het Innovatieplatform vooral een oefening in propaganda. Wat zijn de prioriteiten van het kabinet? Telkens weer horen we hetzelfde verhaal: meer investeren in infrastructuur. Maar welke infrastructuur is relevant in een kenniseconomie? De inefficiënte Betuwelijn of de onnodige Noord-Zuidlijn in Amsterdam ? De uitgaven voor onderwijs zijn lager dan in andere OESO-landen. Er wordt te weinig geinvesteerd in nieuwe ontwikkelingen die door onderzoek kunnen worden gestimuleerd. De gebruikelijke benaderingen worden eindeloos verfijnd in plaats van uitgedaagd. En allerlei obstakels voorkomen dat buitenlands talent wordt aangetrokken.

Voor economische groei zijn, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau, verschillende factoren nodig. Arme landen hebben basismiddelen nodig om te kunnen beginnen. Landen in de middelste inkomensgroep moeten hun productiviteit verhogen door beter bestaande technologische vaardigheden over te nemen, wat vraagt om verhoging van de gemiddelde opleidingsniveaus.

Maar rijke landen kunnen bestaande technologie nauwelijks kopiëren, omdat ze qua kosten in het nadeel zijn. Ze moeten hun relatieve voorsprong behouden door een gestaag proces van vernieuwing. Daarvoor moet je initiatieven belonen en een premie zetten op uitmuntendheid, openheid en creativiteit.

Mijn ervaring is dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geneigd zijn om onderzoeksprojecten pas te financieren als de uitvoering ervan al helemaal vastligt. Probeer maar eens geld te krijgen voor een promotieproject in een gewaagde nieuwe onderzoeksrichting. Dan krijg je een brief dat het onderzoeksvoorstel niet aangeeft wat de onderzoekers precies gaan doen. Nee, natuurlijk niet. Als ik het antwoord al weet, hoef ik niets te onderzoeken.

Dus gaat het meeste geld naar goed gedefinieerde, algemeen geaccepteerde onderzoeksvoorstellen die maar weinig vernieuwende waarde hebben. Deze neiging om alles maar goed te plannen, vernietigt de onderzoeksdrift. En dat terwijl de meest zinvolle vernieuwingen weinig radicaal zijn en ook niet vragen om een enorme investering. Meestal worden bestaande elementen en ideeën op onverwachte wijze opnieuw gecombineerd. Dit soort onderzoek vereist geen strakke begeleiding van bovenaf maar vraagt om institutionele flexibiliteit, vrijelijke associatie en een open houding naar de ander.

Nederland is vast komen te zitten in zijn traditionele benadering van de problemen. Het op zich waardevolle gelijkheidsstreven van Nederland zorgt gemiddeld genomen voor goed onderwijs en voor ordelijke regels en consensus. Consensus is waardevol. Maar het proces verloopt pijnlijk traag en wordt op dirigistische wijze aangestuurd door regelmakers. Gedrag dat voldoet aan de vaak formalistische regels wordt beloond. Initiatief wordt verstikt door een houding van `doe maar gewoon', een houding die zijn waarde heeft bewezen in het aansturen van een bureaucratie, maar die schadelijk is voor creativiteit. De elite is zelfgenoegzaam, introspectief en overtuigd van het eigen gelijk. Consolidatie wordt verkozen boven innovatie. Dit is onvermijdelijk de weg van de sluipende achteruitgang.

Enrico Perotti is hoogleraar International Finance aan de Universiteit van Amsterdam en fellow bij het CEPR (London) en bij het NBER Entrepreneurship Program in de VS.