Lof IMF voor financiële systeem geldt Financiën

In NRC Handelsblad van 6 oktober worden zowel op de voorpagina als in de Lux column kritische noten geplaatst bij de lof die het IMF heeft voor het Nederlandse systeem van financieel toezicht. De complimenten zouden haaks staan op de recente binnenlandse kritiek die de toezichthouders te verduren krijgen, onder andere van de Algemene Rekenkamer.

Daarmee verwart de krant echter het toezichtsregime met de toezichthouder. Het nieuwe sectoroverschrijdende toezichtsregime waar het IMF zo enthousiast over is, is voornamelijk de vrucht van inspanningen op het ministerie van Financiën. De toezichthouders zelf hebben in eerste instantie vooral op de rem gestaan.

Eerder dan de toezichthouders heeft het ministerie van Financiën ingezien dat ingrijpende veranderingen in het Nederlandse financiële landschap gevolgen moesten hebben voor de structuur van het toezicht. Door de conglomeraatvorming zijn financiële instellingen steeds vaker het gehele pakket aan financiële diensten gaan aanbieden. Het oude sectorale toezichtsregime met aparte toezichthouders voor banken en verzekeraars was daarmee uit de tijd. Het nieuwe model sluit met zijn onderscheid tussen gedragstoezicht (AFM) en stabiliteitstoezicht (fusie De Nederlandsche Bank en Pensioen- & Verzekeringskamer) veel beter aan bij de huidige situatie.

De lof van het IMF komt dus vooral minister Zalm toe, niet de toezichthouders. Die hebben in het verleden inderdaad fouten gemaakt, uit onervarenheid of incompetentie, en zullen dat waarschijnlijk blijven doen. Toezicht is immers mensenwerk. De vraag `Quis custodiat ipsos custodes?' blijft overigens altijd aan de orde, ongeacht het toezichtsregime. Daarom is het jammer dat in Nederland de toezichthouders zelfstandige bestuursorganen zijn, wat het lastig maakt om ze ter verantwoording te roepen. Ook Zalm lijkt moeite te hebben met het democratisch tekort van ZBO's, dus wellicht komt hier binnenkort nog verandering in.

Bij de recente stelselwijziging heeft het ministerie van Financiën het principe gehuldigd dat het toezicht de markt moet volgen. Dit betekende dat de introductie van het sectoroverschrijdend toezicht pas volgde na substantiële conglomeraatvorming.

In de Europese context is deze leidraad een garantie voor permanente stagnatie in het integratieproces. Zolang toezichthouders in staat blijven grensoverschrijdende fusies en overnames te ontmoedigen, zal de integratie niet van de grond komen en hebben de toezichthouders een excuus om het toezicht op nationaal niveau te houden.

Hopelijk rust het ministerie van Financiën niet op zijn IMF-lauweren maar blijft het alert omzien naar mogelijkheden om het vastgelopen proces van Europese financiële integratie los te trekken.