Innoveren? Bied technostarters een `talentenbank'

Met een beroep op ,,het belang dat de regering hecht aan de kenniseconomie'' proberen vele instanties geld uit de overheidsruif te plukken. Voorop lopen de universiteiten die extra middelen voor hun prachtige onderzoeksprojecten willen scoren.

Maar is kenniseconomie hetzelfde als het geven van subsidies aan kennis? Ik waag dit te betwijfelen. Wanneer van een land gezegd wordt dat het een landbouweconomie is, betekent dat toch dat dit land zijn geld verdient met de landbouw? Dus als we voor Nederland toekomst zien in een kenniseconomie, dan moet Nederland geld verdienen met kennis. Kennis moet geen geld kósten, maar geld opbrengen.

Nog nooit is een grote succesvolle onderneming begonnen als een grote succesvolle onderneming. Philips is begonnen in een schuur, Batavus als een éénmansbedrijfje. Als Nederland in de toekomst een kenniseconomie wil zijn en blijven, moeten de kleine technostarters gekoesterd worden de ontwerper van het perfecte fietsslot, van een supersterke vezel, van een ingenieuze drukknoop.

Helaas valt het met dat koesteren van onze technostarters nogal tegen. De praktijk is dat ze veeleer gesmoord worden. Gesmoord in de bureaucratie.

Na bloedige gevechten achter de schermen heeft het innovatieplatform uitgesproken welk soort kennis de beste toekomst heeft. Want daarop zouden de overheidsinvesteringen zich moeten concentreren. Help! Zo'n uitspraak zal ongetwijfeld leiden tot het stellen van allerlei nieuwe bureacratische regels.

Bovendien, als de geschiedenis van succesvolle innovaties één ding leert, dan is het dat niet te voorspellen is welke technologische ontwikkelingen zullen aanslaan. Als toekomstige kanshebber werd vijftien jaar geleden vooral op de huishoudrobot gegokt, maar het werd de mobiele telefoon. Als je de bedrijvigheid van de toekomst wilt bevorderen, moet je dus vooral niet op één branche gokken maar moet je een breed scala aan ontwikkelingen een kans geven.

Iemand die zijn technische vinding op de markt wil brengen heeft behoefte aan startkapitaal. Een flink bedrag, want voor het starten van een technische onderneming is nu eenmaal meer nodig dan de spreekwoordelijke keukentafel met een telefoon (waarmee je heel goed een succesvol uitzendbureau kan beginnen).

Hoe komt de moderne Willie Wortel aan geld? Geld lenen van een bank is voor een technostarter vrijwel onmogelijk, want de banken eisen waterdichte garanties voor succes. Geld lenen op de vrije markt is uitgesloten. Na het instorten van de internethype is nergens meer durfkapitaal beschikbaar. Hierin heeft de overheid dus een taak.

Technostarters hebben een laagdrempelig, breed loket nodig waar ze boterzachte leningen kunnen krijgen. Geen subsidies, maar leningen! Want kennis moet geld kunnen opbrengen, anders is er immers geen sprake van kenniseconomie.

Doet de overheid dan nog niets op dit gebied? Jawel, het ministerie van Economische Zaken kent een breed scala aan regelingen, maar bij nader inzien blijken deze allemaal vergeven van een kleverige drab van voorwaarden en speciale eisen. Vaak wordt cofinanciering geëist, zodat de technostarter een lange en vreugdeloze bedeltocht langs de instanties zou moeten ondernemen. En daarbij is het maar zeer de vraag of degene die met succes kan bedelen ook de meeste kans heeft een succesvol technisch bedrijfje op te zetten. Of er worden eisen gesteld aan de achtergrond van de aanstaande ondernemer, of aan zijn arbeidsverleden, of er worden omvangrijke bedrijfsplannen geëist, precies volgens het voorgeschreven bureaucratische model. Maanden werk zou zo'n jonge ondernemer erin moeten stoppen om precies aan de voorschriften te voldoen. Wat een verspilling van schaars talent!

Het ministerie van EZ zou het beschikbare geld van al die ingewikkelde regelingen in een fonds moeten storten waaruit simpele leningen, zonder allerlei voorwaarden, worden verstrekt. Natuurlijk moet de technostarter die lening later terugbetalen. En natuurlijk zal het fonds naar dat geld kunnen fluiten, als het startende bedrijfje flopt. Zo gaat dat bij boterzachte leningen.

Maar van al die bedrijfjes die wél blijken te groeien en te bloeien komt wél geld terug, en met rente. Zo wordt het fonds weer gevuld en kunnen nieuwe starters een lening krijgen. Een revolving fund heet dat in ambtelijke taal. Een talentenbank zou een mooiere naam zijn.

Zou een dergelijk systeem bij de ambtenaren van EZ op weerstand stuiten? Zouden zij het stellen van voorwaarden en het controleren ervan als hun kernactiviteit beschouwen? Misschien zullen ze hun minister zeggen dat een systeem met een revolving fund en boterzachte leningen nooit kan werken.

Ik zou zeggen: informeert u eens bij Mama Cash, een fonds dat al vijfentwintig jaar werkt volgens dit systeem, en inmiddels zelf bijna gênant rijk geworden is.

Heren en dames politici: wilt u een wezenlijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van Nederland tot een kenniseconomie? Vorm dan al die ingewikkelde subsidiestelsels om tot zo'n talentenbank. Wie weet bent u nog net op tijd om de jonge Anton het bedrijfje te laten starten dat in 2040 een van de pijlers van de Nederlandse economie vormt.

Ir. Eveline C.C. Blitz is voormalig vice-president van het KIVI (Koninklijk Instituut van Ingenieurs).