Het beeld

De Nederlandse publieke televisie besteedt ruimhartig aandacht aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Elke zaterdagavond geeft Twan Huys in Nova New York, vanuit een studio met prestigieus uitzicht op Times Square, een toelichting op de Amerikaanse politiek en slaagt er telkens in interessante gasten te verzamelen.

Alle vier de presidentiële debatten – drie van Bush en Kerry en een van de kandidaten voor het vice-presidentschap – werden door NOS Actueel live uitgezonden, met een minimale vertraging voor de vertaalafdeling van de NOB, die uitnemend werk verrichtte. Vannacht, in het slotdebat vanuit swing state Arizona, waren er wel de gebruikelijke typefoutjes en werd aanvankelijk trillion consequent vertaald als `miljard' in plaats van `biljoen' (een 1 met twaalf nullen).

Voor het handjevol kijkers dat er voor opbleef werd de begeleiding van de verkiezingsdebatten door het trio van presentator Ferry Mingelen, deskundige en voormalig CDA-campagnestrateeg Hans Hillen en correspondent Charles Groenhuijsen (op een scherm vanuit Washington) een vertrouwd baken in de nacht. Vooral de bijdragen van Hillen, die de verschillen tussen de retoriek van Amerikaanse en Nederlandse politici bleef benadrukken, waren buitengewoon instructief. Nederlanders proberen veelzijdige informatie over te brengen, Amerikanen herhalen zichzelf om de boodschap beter te doen beklijven.

Er deed zich een merkwaardig fenomeen voor, dat de drie heren in de inleiding tot het slotdebat zelf constateerden. Bij de twee eerste ontmoetingen gaven de Nederlandse commentatoren aan dat de president het iets beter had gedaan, terwijl de peilingen en de deskundigen in Amerika meenden dat de uitdager had gewonnen. En dat terwijl, zoals Mingelen het voorzichtig formuleerde, ,,wij, althans sommigen van ons, toch naar een voorkeur voor Kerry neigen''. De verklaring die de commentatoren zelf voor deze discrepantie aanvoerden was prikkelend. Voor de Nederlandse deskundigen viel er weinig spannends te beleven aan de bekende standpunten van Kerry, die Bush adequaat pareerde. Maar de Amerikaanse kiezer kende de uitdager nog niet zo goed, was aanvankelijk vooral geconfronteerd met het weifelmoedige imago van Kerry en constateerde nu verrast dat de senator wel degelijk over presidentiële kwaliteiten beschikte. Met andere woorden: de Nederlandse kijker is beter op de hoogte dan de Amerikaanse kiezer. Het zou wel eens kunnen kloppen.

Er is een verklaring, die ik iets plausibeler acht, omdat ik die neiging zelf bespeurde na de eerste twee debatten. In een krampachtige poging tot objectief waarnemen neig je ertoe om, als je niet hoopt dat Bush wint, je weerzin te corrigeren door een te rooskleurige perceptie van zijn optreden.

Het blijft niet altijd zo. Het derde debat, even formeel en saai als het eerste, werd glansrijk gewonnen door Kerry, zo viel nu ook uit de mond van Groenhuijsen en Hillen te beluisteren. Een snelle eerste peiling bevestigde dat tachtig procent van de Amerikaanse kijkers dat ook vond.