Afscheid van de basisvorming

De Tweede Kamer nam gisteren definitief afscheid van de basisvorming. De onderbouw van het voortgezet onderwijs gaat lijken op die andere gehate onderwijsoperatie: het Studiehuis.

In een klein zaaltje nam de onderwijscommissie van de Tweede Kamer gisteren een grote stap: zij nam afscheid van de basisvorming.

Zelfs de partij die er zich ooit zo hard maakte, de PvdA, ging openlijk door het stof. ,,We dachten altijd dat kinderen erbij gebaat waren dat ze lang hetzelfde onderwijs zouden volgen'', zei Kamerlid Mariëtte Hamer. ,,Nu weten we dat we ook meer rekening moeten houden met verschillen.''

En zo denkt nu vrijwel de hele Kamer erover de sceptische fracties van D66 en SP nog uitgezonderd. De plannen van minister Van der Hoeven (CDA, Onderwijs) om de basisvorming geheel af te schaffen en te vervangen door een in veel opzichten tegengesteld stelsel, werd enthousiast ontvangen.

Van de basisvorming heeft eigenlijk niemand écht gehouden. Scholen niet, leerlingen niet, en politici ook niet. Elf jaar geleden voerde toenmalig staatssecretaris Wallage (PvdA) de hervorming in. Het was een sterk verwaterde versie van het sociaal-democratische ideaal van de middenschool waar leerlingen van alle niveaus samen onderwijs zouden volgen. Dit zou de emancipatie van kinderen met een sociaal-economische achterstand bevorderen.

De middenschool was politiek onhaalbaar, maar met de basisvorming konden de meeste partijen leven. Mavo-, havo- en vwo-leerlingen volgden vanaf 1993 in de eerste drie jaar min of meer hetzelfde pakket van vijftien vakken. Hierdoor zouden leerlingen hun definitieve schoolkeuze uitstellen, waardoor kinderen die op de basisschool een mavo-advies kregen toch een extra kans kregen naar het havo te gaan. In gezamenlijke brugklassen van één of twee jaar zouden minder presterende kinderen zich aan hun betere klasgenoten kunnen optrekken.

Al snel bleken veel leerlingen en leraren problemen te hebben met het programma. Voor mavo-scholieren was het te veel, vwo-scholieren konden door de overdaad aan vakken nauwelijks de diepte in.

Dit moet radicaal anders, herhaalde Van der Hoeven gisteren in de Tweede Kamer. De door haar ingestelde commissie-Meijerink had anderhalf jaar geluisterd naar de scholen. Conferenties, `platformbijeenkomsten', enquêtes, alles werd uit de kast gehaald om te horen wat de scholen zélf wilden.

De adviezen van de commissie nam zij grotendeels over. Scholen moeten volgens haar veel meer vrijheid krijgen hoe ze het onderwijs gaan inrichten. De overheid schrijft niet langer meer voor welke lessen zij moeten geven, stimuleert zelfs dat leraren van verschillende vakken `teams' vormen waarin zij gezamenlijk de vakken gaan geven. Het aantal kerndoelen eisen waaraan leerlingen moeten voldoen gaat terug van 280 naar 58. En, belangrijker: de manier van lesgeven wordt anders. Leraren ontwikkelen zich tot begeleider, leerlingen gaan met projecten en portfolio's werken. Zij moeten meer vaardigheden opdoen in plaats van kennis.

Waar hebben we wat dat eerder gehoord?

Het zijn precies de woorden waarmee staatssecretaris Netelenbos (PvdA) in 1998 die andere onderwijsvernieuwing invoerde: het Studiehuis. De overeenkomsten tussen beide plannen zijn opvallend. Het Studiehuis is de pedagogische en onderwijskundige filosofie achter de Tweede Fase. Leerlingen mochten niet langer eindeloos pakketten kiezen, maar kregen de keuze tussen vier `profielen' `cultuur en maatschappij', `economie en maatschappij', `natuur en gezondheid' en `natuur en techniek'. Daarnaast volgen alle leerlingen verplicht een breed pakket van algemeen vormende vakken.

Maar zij krijgen ook op een andere manier les. De klassikale les moest verdwijnen, leerlingen moesten in groepjes werken, vooral achter de computer. Leraren worden begeleiders. Het is precies de manier van lesgeven die Van der Hoeven nu ook graag in de onderbouw zou zien.

Het grote verschil tussen de nieuwe onderbouw er is nog geen woord voor en het Studiehuis zou zijn dat scholen straks helemaal vrij zijn hoe de eerste drie jaar eruitzien. Maar het Studiehuis is evenmin ooit verplicht geweest, al hebben scholen dat wel zo ervaren op enkele gymnasia na verbouwden zij de bovenbouw rigoureus. Zo sterk zelfs, dat de Onderwijsinspectie zag hoe leraren verkrampt probeerden vooral níét les te geven.

De gevolgen zijn bekend: het aanvankelijke enthousiasme sloeg snel om in chagrijn. Woedende scholieren gooiden in 1999 eieren naar staatssecretaris Adelmund, eenderde van de leraren zei met veel minder plezier naar school te gaan. Inmiddels wil de Kamer de vernieuwingen in de bovenbouw alweer voor een groot gedeelte terugdraaien.

De les van de geschiedenis is dus dat vrijwillige onderwijsvernieuwingen niet zo geïnterpreteerd worden door scholen. Daarom is het gevaar groot dat de ene onderwijsvernieuwing geruisloos wordt ingeruild voor een nieuwe. Enthousiasme van scholen, hét argument van Van der Hoeven dat het niet om een opgelegde verandering gaat, kan zo weer verdwenen zijn. Zo moppert de meerderheid van de leraren nog altijd op het Studiehuis, maar kwam 44 procent van de leraren volgens een enquête van de commissie-Meijerink tot de conclusie dat een Studiehuis-achtige opzet voor de onderbouw een uitstekend idee zou zijn.

Tijdens mijn bewind, zei Van der Hoeven bij haar aantreden in 2002, zal het onderwijs met rust gelaten worden. Toch is coalitiepartij D66 daar sinds gisteren niet meer gerust op. ,,Daar gaan we weer!'' zei Kamerlid Urise Lambrechts: ,,Dit hebben we eerder meegemaakt. Iedereen is enthousiast en voor we het weten hebben we wéér een mega-onderwijsvernieuwing ingevoerd.''