Toekenning vredesprijs is ook terechtwijzing voor VS

Klimaatverandering is de grootste dreiging van de 21ste eeuw. Gelukkig heeft het comité voor de Nobelprijs wel oog voor gevaren die in de campagne voor het Amerikaanse presidentschap worden genegeerd, meent Mark Hertsgaard.

Zo af en toe is er goed nieuws in deze geplaagde wereld en de keuze van de Keniaanse milieubeschermster Wangari Maathai tot Nobelprijswinnaar voor de Vrede van dit jaar is daarvan een voorbeeld. Een beter moment was niet denkbaar. De keuze van Maathai werd bekendgemaakt tegen het einde van een Amerikaanse presidentscampagne die resoluut voorbij is gegaan aan het grootste gevaar waar de mensheid voor staat, de mondiale klimaatverandering.

Zo is haar uitverkiezing een stilzwijgende terechtwijzing voor de politieke en publicitaire achterstand van Amerika op milieugebied, en tegelijkertijd een expliciete beklemtoning dat – om met het Nobel-comité te spreken – ,,zonder een gezond milieu vrede onmogelijk is''.

Washington blijft de klimaatverandering maar ontkennen, ook al heeft zijn naaste bondgenoot, de Britse premier Tony Blair, in september nog gezegd dat de klimaatverandering het allergrootste probleem is waarvoor zijn land zich op lange termijn gesteld ziet. De hoogste wetenschappelijke adviseur van Blair, David King, ging nog verder door te verklaren dat de klimaatverandering de grootste bedreiging is waarvoor de beschaving ooit heeft gestaan – zelfs nog groter dan het wereldterrorisme dat de krantenkoppen beheerst en George W. Bush obsedeert. In juli waarschuwde King dat de atmosfeer inmiddels genoeg kooldioxide bevat om al het ijs op aarde te doen smelten, iets wat de meeste grote wereldsteden onder water zou zetten, te beginnen met laaggelegen metropolen als New York, Londen en New Orleans. ,,Ik weet zeker dat de klimaatverandering het grootste vraagstuk is dat de beschaving in 5.000 jaar het hoofd heeft moeten bieden'', zei King. Zelfs Shell-topman Ron Oxburgh gaf in juni toe dat hij zich ,,echt heel ongerust maakt over de toekomst van de aarde''.

In hun eerste presidentiële debat waren Bush en zijn Democratische uitdager John Kerry beiden van mening dat de mondiale verspreiding van kernwapens de grootste onopgeloste bedreiging voor de Amerikaanse veiligheid is. Maar de mondiale klimaatverandering is nauwelijks minder een gevaar, alleen gaat ze geleidelijker. De klimaatverandering is voor de 21ste eeuw wat de kernwapenwedloop voor de twintigste was: de allergrootste bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid op aarde. De klimaatverandering kost overal ter wereld al tal van mensen het leven; in de zomer van 2003 overleden alleen in Frankrijk naar schatting al 20.000 mensen door een ongekende hittegolf. In de komende jaren zullen er nog veel meer overlijden – hetzij direct, als gevolg van verwoestende stormen, overstromingen en droogten, hetzij indirect, door lagere opbrengsten in de landbouw en door de verspreiding van besmettelijke ziekten.

Toch is de klimaatverandering, behoudens twee zeer korte verwijzingen naar het Kyoto-protocol in de debatten Bush-Kerry, afwezig in de Amerikaanse presidentscampagne, zoals althans de Amerikaanse media daarvan verslag doen. De meeste Amerikaanse journalisten hebben het nog steeds niet door. In het beste geval zien ze de klimaatverandering gewoonweg als een van de vele milieukwesties; in het slechtste geval laten ze zich nog altijd beetnemen door de propaganda van de fossiele-brandstofindustrie, die twijfel zaait aan de wetenschappelijke bewijzen voor de opwarming van de aarde.

Zoals journalist Ross Gelbspan in zijn boek Boiling Point uiteenzet, stelde de fossiele-brandstofindustrie toen het thema van de klimaatverandering vijftien jaar geleden opkwam, dat het probleem eenvoudig niet bestond. Halverwege de jaren '90, toen de hogere temperaturen op de wereld te opvallend werden om nog te ontkennen, schakelde de industrie over op de stelling dat ze niet aan menselijk handelen te wijten waren. Inmiddels is het standpunt van de industrie – gedeeld door het Witte Huis van Bush – dat oplossingen economisch onhaalbaar zijn.

Dit zijn allemaal onwaarheden, maar de Amerikaanse media zijn te lui of commercieel te afhankelijk om ze tegen het licht te houden en te corrigeren. (Robert Kennedy jr. heeft opgemerkt dat auto's in de VS de grootste bron van broeikasgassen zijn, maar dat autoreclames in de VS de grootste bron van inkomsten van de televisiezenders zijn.)

Doordat het milieuanalfabetisme van de regering-Bush en het grootste deel van het Congres even groot is als dat van de media, blijft het thema van de klimaatverandering in de Verenigde Staten onderbelicht. Het publieke bewustzijn en de beleidsvorming lopen jaren achter bij de rest van de wereld, zoals wordt geïllustreerd door de naderende uitvoering van het Kyoto-akkoord – zonder Amerikaanse deelname. Sommige staten en lokale overheden voeren belangrijke hervormingen door; Californië eiste onlangs van de autofabrikanten dat het brandstofverbruik in 2009 30 procent doelmatiger dient te zijn, maar de vooruitgang gaat in kleine stapjes terwijl ze met zevenmijlslaarzen zou moeten gaan.

Op dit punt is het voorbeeld van Wangari Maathai hoopgevend. De 64-jarige biologe is de Keniaanse onderminister van milieu, maar het grootste deel van haar leven was ze een gewone activiste die moedige kritiek had op de dictatuur die Daniel Arap Moi met steun van de VS uitoefende. De grote vernieuwing van Maathai was haar oprichting van de Green Belt Movement. Dit radicale maar praktische programma betaalt arme vrouwen om in hun gemeenschap bomen aan te planten. Sinds dit programma eind jaren '70 begon, zijn naar verluidt 30 miljoen bomen geplant.

De Green Belt berust op een samenhangende analyse van onderling verweven problemen als armoede, milieuafbraak en vrouwendiscriminatie (de laatste leidt tot hoge geboortecijfers, waardoor gezinnen arm blijven en ecosystemen onder druk blijven staan). De Green Belt helpt deze vrouwen aan geld, dat hun onafhankelijkheid bevordert en de onderwijskansen van hun kinderen verbetert. De aangevulde bossen zijn een basis voor landbouwopbrengsten, en tegelijkertijd de voornaamste bron van brandstof voor de meeste arme Kenianen. Ook de wereld heeft er baat bij: door fotosynthese absorberen de bomen kooldioxide en compenseren daarmee de uitstoot van broeikasgassen door rijke industrielanden als de Verenigde Staten.

Zoals alle goede politieke ideeën is het Green Belt-programma van Wangari Maathai eenvoudig maar tegelijk complex, specifiek en toch universeel, intellectueel onderbouwd maar ook actiegericht. De achterliggende principes zijn bij uitstek noodzakelijk om een duurzame, en dus vreedzame toekomst op te bouwen: herstel van verwoeste ecosystemen, verruiming van economische kansen voor de armen, waarborg van gelijke rechten voor iedereen en verdediging van echte democratie.

Het Nobel-comité loofde Maathai om het werk waardoor het leven van talloze Kenianen is veranderd. Maar haar daden geven ook een indruk hoe de rest van de wereld – dus ook veel rijkere landen als de Verenigde Staten – nog tegen de klimaatverandering kan strijden, als ze maar wakker wordt en zich inzet.

Mark Hertsgaard is schrijver. Zijn laatste twee boeken zijn `De schaduw van de macht' en `Earth Odyssey: Around the World in Search of Our Environmental Future'.