De kant van de geschiedenis

Zou er in het Westen iemand zijn die denkt dat het terrorisme deze eigenaardige oorlog kan winnen? Ik bedoel dan iemand die, niet door godsdienstwaan verblind, zijn redelijke kijk op de krachtsverhoudingen bewaard heeft. Ik geloof het niet.

De nieuwe terroristische netwerken hebben hier veel schade aangericht. We houden er rekening mee dat er nog meer aanvallen komen. We ontwerpen de zwartste scenario's, zoals het weekblad Time, dat een half jaar geleden op zijn omslag Europese gebouwen liet zien die het doel van een aanval konden zijn, of The Economist die beschreef wat voor gevolgen een grootschalig terrorisme in Saoedi-Arabië voor de olievoorziening zou betekenen. Maar dat de leiders van de terreur de grote westelijke samenleving op de knieën zou kunnen brengen, is alleen een illusie van de terroristen zelf, en een nachtmerrie van degenen die hier min of meer de kluts zijn kwijtgeraakt.

Het Westen hoeft er niet van te worden verzekerd dat het de strijd zal winnen. Als er hier een conflict is, dan gaat het over de manier waarop de aanvaller moet worden aangepakt, in welke fase van de krachtmeting we op het ogenblik zijn en hoe het verder moet, het liefst zo kort mogelijk en tegen de geringste kosten. En nu komt minister van Defensie Donald Rumsfeld met een plechtig artikel, gisteren ook in deze krant afgedrukt, waarin hij verklaart dat ,,de zware taak van de geschiedenis rust op Amerika, op de Coalitie en op ons volk''. Samengevat: het gaat goed met de strijd tegen Al-Qaeda. Osama bin Laden is op de vlucht. In Afghanistan worden onder de hoede van de NAVO voor het eerst verkiezingen gehouden. Saddam Hussein die de Verenigde Naties aan zijn laars lapte, zit gevangen. Libië is weer toegetreden tot de gemeenschap van de beschaafde volken. De Irakezen horen nu tot de mensen die mogen zeggen, schrijven en kijken en luisteren naar wat ze maar willen.

De minister vergelijkt de strijd tegen het terrorisme met de Koude Oorlog. Ook toen waren er tegenslagen, diepe meningsverschillen binnen het westelijk bondgenootschap, werd een Amerikaanse regering uitgemaakt voor een gezelschap van oorlogshitsers. Maar Amerika begreep dat zwakte geweld uitlokt, het hield vol, zoals nu, en, zo besluit hij, ,,de geschiedenis staat aan onze kant''. Daar valt geen speld tussen te krijgen. Als je weet dat je de geschiedenis aan je kant hebt, komt alles hoe dan ook in orde. Door de keuze van zijn argumenten en dit gelukkige einde heeft de minister beknopt en zuiver weergegeven, hoe deze Amerikaanse regering denkt.

De werkelijkheid wordt er niet mee weergegeven. Saddam zit gevangen in een land waar een halve burgeroorlog woedt en een halve opstand tegen de bezetter, terwijl daar bovendien de gijzelende en onthoofdende terroristen moeten worden bestreden. Osama bin Laden is op de vlucht maar regelmatig wordt officieel voor een grote aanslag gewaarschuwd. In Afghanistan zijn verkiezingen gehouden maar buiten Kabul hebben de krijgsheren het in hoge mate voor het zeggen, en de papaverteelt die het Westen van zijn drugs voorziet, bloeit als nooit tevoren. De Iraakse voorlopige premier Allawi is minder de vriend van de vrije media dan wij wensen. Hij heeft het bureau van de onafhankelijke televisiezender Al Jazira in Bagdad voorgoed gesloten en verder is hij vooral de vriend van de pers die het met hem eens is. De Pakistaanse president Musjarraf die de zijde van de beschaafde wereld heeft gekozen, waarschuwt het Westen dat het bezig is, een ijzeren gordijn tegen de wereld van de moslims op te richten.

Tot de markante tegenslagen in de Koude Oorlog horen bijvoorbeeld het avontuur van de Varkensbaai in 1961, toen uitgeweken Cubanen met hulp van de CIA probeerden, Fidel Castro te verwijderen. Het werd een verschrikkelijke mislukking waarvoor president Kennedy de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. De grootste vergissing is natuurlijk Vietnam, de oorlog die 55.000 Amerikaanse soldaten het leven heeft gekost. Daar stond de geschiedenis niet aan de kant van Amerika. Dan zijn er de negatieve successen uit die tijd, de voorbeelden van strategische zelfbeheersing, zoals het niet ingrijpen in de Berlijnse, de Hongaarse en de Praagse opstand, in 1953, 1956 en 1968, waarmee de gewapende vrede bewaard bleef, zonder dat het Westen zijn druk op de tegenstander verminderde.

In het artikel van minister Rumsfeld staat niets te lezen over de leugens en misleidingen waarmee de oorlog in Irak werd gerechtvaardigd. En ook niets over de grote vergissing van hemzelf, dat de oorlog op een koopje, met een shock and awe en met een minimum aan strijdkrachten kon worden gewonnen. Onlangs heeft Paul Bremer, overigens groot voorstander van de ingreep, zich daar nog kritisch over uitgelaten. De schandalen van de martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis en in het kamp van de rechtelozen, Guantánamo, blijven onbesproken.

Ja, zal men misschien zeggen, dat zal wel. Maar is dat dan noodzakelijk in een document dat bedoeld is als zelfrechtvaardiging en om aarzelende vrienden een hart onder de riem te steken? Nee, het hoeft niet. Het is juist wel goed dat het zo gebeurt, want juist op deze manier toont hij de eenvoud van zijn wereldbeeld. Het is zó eenvoudig dat grote stukken van de wereld erin ontbreken. Het belangrijkste in dit verband: Israël en Palestina, de oorlog daar die zich buiten de blik van de minister onverminderd voortzet. In de woorden van president Musjarraf ,,een open wond in de ziel van iedere moslim''.

De eenvoud van minister Rumsfeld is voor de helft van de Amerikaanse kiezers en veel meer dan half Europa het gebrek aan geloofwaardigheid van deze Amerikaanse regering. ,,Een superbe bewindsman'' noemde zijn president hem, nadat hij het schandaal van Abu Ghraib tot een incident had teruggebracht. En zelf weet hij, dat hij ook van de geschiedenis gelijk zal krijgen. Zijn wetenschap is ons probleem.