Brieven van Lennaert Nijgh naar museum

Het archief van tekstdichter Lennaert Nijgh is geschonken aan het Letterkundig Museum, met onder meer de correspondentie met Boudewijn de Groot: ,,Dat geschreeuw tijdens de barensweeën moet je niet zo letterlijk nemen.''

,,Welkom in de wondere wereld van de fax'', schreef zanger Boudewijn de Groot op 11 december 1996 aan zijn vaste tekstdichter Lennaert Nijgh. ,,Ga je ze nu ook versturen of alleen ontvangen? Hopelijk mag ik op mijn fax in de toekomst (nabije toekomst zelfs) teksten tegemoet zien. Dat hadden we dertig jaar geleden ook niet kunnen bevroeden. Zoals zo veel niet.''

De installatie van een fax ten huize van Lennaert Nijgh in Haarlem was voor Boudewijn de Groot in Heemstede aanleiding zijn vriend wederom aan te sporen tot het schrijven van liedjes. ,,Ik wacht in lijdzaamheid, zoals een trouwe echtgenote betaamt'', drong de zanger een maand later aan. Geërgerd schreef Nijgh terug dat ,,opnaaien en pushen'' alleen maar averechts zou werken. ,,Als je mijn pushen en opnaaien wilt zien als enthousiasmeren, dan heb ik dat liever'', reageerde De Groot, in een poging de zaak te sussen. In deze ietwat gespannen sfeer ging het faxverkeer nog even door, totdat Nijgh op 11 februari 1997 schreef: ,,Je snapt het allemaal weer niet of maar half. Dat geeft niet hoor, daarom ben je nog wel lief! Maar dat geschreeuw tijdens de barensweeën moet je niet zo letterlijk nemen. Dat hoort erbij.''

De correspondentie is onderdeel van de literaire nalatenschap van Lennaert Nijgh (1945-2002), die door zijn erven is geschonken aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Een eerste blik in de dertien dozen vol correspondentie en typoscripts leert, dat de auteur van hits als Het land van Maas en Waal, Malle Babbe en Testament jarenlang aan zulke barensweeën heeft geleden, en vaak in geldnood verkeerde. Minstens één keer werd wegens belastingschulden beslag op zijn inkomen gelegd, en in 1986 moest het auteursrechtenbureau Buma-Stemra hem zelfs te hulp komen met een renteloze lening voor het aflossen van zijn schulden bij de belastingen en de bank. Ook kreeg hij toen 600 gulden per maand om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Dat hij nooit een veelverdiener zou worden, blijkt voorts uit een briefje dat hij in 2000 schreef aan uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, waar dat jaar zijn tekstenbundel Ik doe wat ik doe verscheen. ,,Ik ga met alles akkoord'', luidde Nijghs reactie op het financiële voorstel. ,,Ook met al die procenten e.d. Het kan me geen reet schelen, ik ga voor de eer en niet voor de poen.''

Wel heeft Nijgh in 1974, om geld te verdienen, een contract gesloten voor de vertaling van een serie pornoboekjes, voor 600 gulden per stuk. ,,Je kunt de vertaling net zo bewerken, inkorten of verlengen (128 pag. tekst, eventueel in Nederland laten spelen) als je zelf wilt'', liet de coulante uitgeverij Aquarius hem weten. Of hij deze opdracht heeft voltooid, is niet bekend. De manuscripten zijn in de dozen niet te vinden.