Lauweren voor priesters van de aanbodeconomie

Op papier zijn de neoklassieke inzichten van de Nobelprijswinnaars Kydland en Prescott de onbetwiste leidraad voor modern overheidsbeleid. De huidige praktijk is nogal anders.

Geen grotere eer voor een wetenschapper dan dat zijn theorie zodanig ingeburgerd raakt, dat bijna vergeten wordt dat de samenleving ooit zónder door het leven ging.

Dat gaat goeddeels op voor de winnaars van de Nobelprijs voor de Economie 2004, de Noor Finn Kydland en de Amerikaan Edward Prescott. Een structureel begrotingsbeleid bijvoorbeeld, dat niet probeert de conjunctuur te beïnvloeden, is verankerd in het Stabiliteitspact van de monetaire unie van de EU. Dat centrale bankiers onafhankelijk moeten zijn, en zich richten op inflatiebeheersing, is tegenwoordig common sense. In theorie dan, want de verleiding blijft vooral in politieke kring groot om iets te doen aan de onvermijdelijke getijdewerking van de conjunctuur. Vooral als het, zoals nu, eb is.

De toekenning van de Nobelprijs voor Kydland (60) en Prescott (63) heeft dit jaar zowel een wetenschappelijk als een actueel tintje. Wetenschappelijk omdat, net zoals vaak het geval is bij de Nobelprijzen voor de exacte wetenschappen, het de beloning betreft voor een theorie waarvan de ouderdom er niet zo veel toe doet. In het geval van Kydland en Prescott gaat het om meer dan een kwart eeuw. Maar de toekenning is ook actueel.

We leven weer in een tijd van verleiding waar, om de Financial Times te citeren, beleidsmakers zich als Odysseus moeten laten vastbinden aan de mast om niet toe te geven aan de verlokkelijke zang van de eigentijdse Sirenen: laat die inflatie toch even zitten, en het begrotingstekort mag best wel even oplopen. Het zijn tenslotte moeilijke tijden, en er moet toch wat gebeuren?

Juist niet, luidt het inzicht van Kydland en Prescott. Zij behoren tot de school van de neoklassieken, een stroming in het economisch denken die zich afzet tegen de Keynesiaanse actieve overheid. John Maynard Keynes (1883-1946) had – met een verwijzing naar de Grote Depressie van de jaren dertig – de aanval ingezet op het klassieke idee dat de economie steeds `automatisch' naar een nieuw evenwicht zou tenderen. Keynes stelde dat het prijsmechanisme onvolkomen werkte en dat niet zozeer het aanbod (supply) van producten bepalend was voor het economisch proces, maar de vraag naar eindproducten. Centraal uitgangspunt van de Keynesiaanse leer werd dat de overheid door middel van een actief beleid de economie moest bijsturen. Via extra overheidsuitgaven en een verlaging van de belastingtarieven kon de overheid een terugval in de vraag compenseren, waardoor een langdurige depressie met hoge werkloosheid, zoals in de jaren dertig, effectief kon worden bestreden.

Voor met name socialistische politici was de leer van Keynes een dankbaar alibi om actief in te grijpen in de economie. Toen in de jaren zeventig de beoogde resultaten echter achterwege bleven – een stagnerende economie, oplopende inflatie en werkloosheid – opende de econoom Milton Friedman de aanval op de Keynesiaanse leer. Volgens het monetarisme verwaarloosden de Keynesianen geheel ten onrecht de rol van het geld in de economie. Het monetarisme effende de weg voor de neoklassieken – de stroming die nu gelauwerd is met een Nobelprijs. Het marktmechanisme zorgt voor evenwicht in de economie. De overheid dient zich zoveel mogelijk te onthouden van Keynesiaanse ingrepen om de economie te sturen. In Nederland leidde dat tot de leuze: `meer markt, minder overheid'.

De bijdrage van Kydland en Prescott is dat ze theoretisch hebben beargumenteerd dat alle deelnemers in het economisch proces `rationele verwachtingen' hebben. Dat betekent volgens hen dat alle consumenten en producenten zullen anticiperen op veranderingen in het economisch beleid. Als de overheid de uitgaven verhoogt om de economie te stimuleren, weten de consumenten en producenten dat dit op termijn tot gevolg heeft dat de belastingen worden verhoogd en ze zullen hun gedrag daar al vast aan aanpassen. Of wanneer de overheid deze uitgaven financiert met het `bijdrukken van geld' weten de mensen dat dit resulteert in een stijging van de prijzen en passen vervolgens hun gedrag aan door bijvoorbeeld hogere lonen te eisen.

Op papier is het uitgangspunt van de `rationele verwachting' na het mislukken van het Keynesiaanse experiment van de jaren zeventig nu de dominante stroming. Centrale banken zijn onafhankelijk, en buiten het politieke krachtenveld gebracht. En de neoklassieke richtlijnen rond het fiscale en begrotingsbeleid zijn in brede kring onomstreden. Maar houdt iedereen zich daar dan ook aan?

Elke keer als beleidsmakers in de neoklassieke kerk van hun geloof getuigen, ligt – eenmaal buiten – de verzoeking op de loer. Het Europese Stabiliteitspact van de muntunie is bijna gesneuveld onder begrotingsoverschrijdingen. En met name in de Verenigde Staten, toch de bakermat van de hedendaagse neoklassieke supply-side economics, lijkt het huidige beleid eerder Keynesiaans. De centrale bank streeft er met haar ultralage rentebeleid niet alleen naar prijsstabiliteit, maar ook naar een zo groot mogelijke werkgelegenheid. En nergens zijn de begrotingsexpansie en belastingverlaging zo hard ingezet om de conjunctuur te keren als onder de huidige regering-Bush.

De toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de neutrale Keniase milieu-activiste Wangari Maathai vermeed dit jaar een schoffering van het Witte Huis. Maar via de Nobelprijs voor de Economie lijkt alsnog een politiek plaagstootje te zijn uitgedeeld.