Inburgeren

Dertig Turkse oudkomers – allochtonen van boven de vijftig – kregen gisteren in De Rode Hoed in Amsterdam hun inburgeringscertificaat uitgereikt.

Tweeëntwintig vrouwen, acht mannen.

Zij hadden vier maanden lang onderricht gehad in de Nederlandse taal en cultuur, in gezondheidskwesties en het belang van bewegen.

Voordat de deuren van de zaal opengingen, stonden de vrouwen op een kluitje bijeen. Ze droegen zonder uitzondering een hoofddoek en ze waren allen gekleed in die vormloze regenjassen die afkomstig lijken van onuitputtelijke voorraden uit de voormalige DDR.

Toen alles achter de rug was, stonden de vrouwen links op het podium, en de mannen rechts. Verschil moet er zijn, en voorlopig ook blijven.

Waarom waren er trouwens zo weinig mannen? Zij waren minder nieuwsgierig dan de vrouwen, vertelden de mensen van Milli Görüs die de inburgeringscursus hadden georganiseerd. Er was ook nog een onderdeel `Oud worden in Nederland' geweest, en daar hadden de mannen helemaal weinig trek in gehad.

Het vergrootte mijn respect voor die vrouwen, van wie sommigen – in tegenstelling tot de mannen – als analfabeet aan de cursus waren begonnen. Vrouwen van diep in de vijftig die decennialang in Nederland thuis hadden gesappeld met hun gezinnen van vier, vijf kinderen. Wat zich buiten hun deur afspeelde, was gehuld in een nevel van onbegrijpelijkheid. Zij konden niet tot die wereld doordringen, en de wereld niet tot hen.

Toen hun gisteren gevraagd werd waarom zij zo graag de cursus hadden willen volgen, zeiden sommige vrouwen: ,,Om tegen de dokter te kunnen zeggen wat je hebt.''

Voorin de zaal waren enkele voorbeelden te zien van de moeizame schrijfpogingen van de vrouwen. ,,Ik woon in Amsterdam'' had Hanim geschreven, een tonronde moeder die de hele middag vriendelijk zwijgend op het podium zat. In dit ene zinnetje is heel de tragiek van haar leven samengebald. Zij zal in Amsterdam ook doodgaan, zonder dat ze de taal ooit machtig is geworden. Want het is een illusie te denken dat een taalcursus deze mensen nog mondig kan maken.

De gespreksleider vroeg in het begin aan de deelnemers of zij de cursus leuk hadden gevonden.

,,Ja, luk'', zei Nuran.

,,En Aylen, jij ook?''

,,Ja.''

,,En vond Ismail ook alles leuk?''

,,Ja.''

Veel meer kwam er niet uit. Langere vragen moesten in het Turks vertaald worden, en de deelnemers gaven ook liever antwoord in het Turks. Een man klaagde dat hij de Nederlandse woordjes er niet meer goed ingestampt kreeg. Moet deze generatie daarom maar met rust worden gelaten? ,,Flauwekul'', zei Haci Karacaer van Milli Görüs, ,,ze hebben juist steun nodig.'' Als we hun studieresultaten maar niet koppelen aan een verblijfstitel, voegde hij eraan toe.

Het zou al winst zijn als ze zich wat meer op hun gemak voelen in het dagelijks leven.