De dag dat de hemel kraakte

Vandaag is het 350 jaar geleden dat in Delft een kruitmagazijn ontplofte. Een van de slacht- offers was de jonge schilder Carel Fabritius.

De knal was te horen tot in Den Helder, ja zelfs tot op het eiland Texel, schreef Dirck van Bleyswijck in zijn Beschrijvinge der stadt Delft (1667). Op maandag 12 oktober 1654, vandaag 350 jaar geleden, vloog in Delft een groot kruithuis in de lucht. Of, zoals geschiedschrijver Van Bleyswijck het beschreef, een ,,magazijn voorzien van ongeveer 80 tot 90 duizend ponden buskruit is op Maandag de 12e October 1654 's morgens om half elf ongeluckelijkck in de lucht gesprongen''.

Dit ongeluk, dat bekend staat als de `Delftse Donderslag', verdient een plekje in de reeks rampen die ons land de laatste duizend jaar getroffen heeft. Naast bijvoorbeeld de St.Elizabethsvloed (1421) en de Watersnoodramp van 1953 hoort deze knal thuis in de reeks grote ongelukken met buskruit of vuurwerk. Lang voor de meer recente explosies in Muiden, Culemborg of Enschede was er dus ook die enorme knal in Delft.

Uit de beschrijving van Van Bleyswijck blijkt dat haast niemand in Delft het bestaan vermoedde van dit `Secreet van Holland'. Het `Pulver- ofte Buskruyd-Magasijn' stond tussen de Geerweg en Doelstraat, ,,schuylend achter eenig geboomte'', onopgemerkt door wandelaars en ,,by de meeste ingesetenen deser Stadt onbekent''. Totdat zeker 80.000 pond in één donderende knal ontplofte. Dat gebeurde ,,met zulk afgrijselijk gedruis en geweld dat de hemel scheen te kraken en te barsten, de aardbodem leek te scheuren en de hel zijn kaken opensperde''.

De ravage in stad en omgeving was enorm. Op de plaats van de huidige Paardenmarkt was De Kruittoren ,,weggevlogen met zijn fundamenten, zonder enig stuk of steen of paal achter te laten''. Er was alleen een poel vol water van 15 of 16 voet diep en overal ,,gruwelijke rookdamp en stof''. ,,Nieuwe getimmerde huizen aan de Lakengracht, en de hele buurt van de Geerweg, alsmede de Verwersdijk'' waren aan weerskanten ,,terneder geslagen en tot puyn-hoopen gemaeckt''. Er was ,,nauwelijks een boom te vinden die nog de gelijkenis van een boom had''.

Vreselijker dan schade aan tuinen en gebouwen was het lot van burgers. Van Bleyswijck meldt geen dodental, maar volgens latere historici moeten er zeker honderd slachtoffers zijn geweest, vijf maal zoveel als bij de vuurwerkramp in Enschede vier jaar geleden. Wolken stof en puin en rondvliegende balken waren ,,vermengd met lichaamsdelen van mensen''. Men zag ze ,,bezaaid liggen'' binnen en buiten de stadsmuren. Een ,,deerlijck spectakel voor de aenschouwers'', dat niet ,,zonder krimping van het gemoed en versmelting van het hart'' waargenomen werd.

Een dag na de ramp meldde een ooggetuige: ,,De ellende en jammer is met geen pen te beschrijven. Het gehuil dat hier is, de Vrouw om haar Man, de Man om zijn Vrouw, Ouders om hun Kinderen, Kinderen om hun Ouders, Zuster om Broeder, Broeder om Zuster, de een om Neef, de ander om Nicht, die om Vrienden of Bekenden is zozeer erbarmelijk en betreurlijk, dat een hart van Steenen en Diamanten bewogen zou worden.'' Nuttig voor ons in tijden van integratie: ,,Ja zelfs de wreedste Barbaar en Turk zou dit verdrietig Schouwtoneel niet met droge ogen kunnen aanzien.''

Hoe ging men destijds met rampspoed om? In het verslag van Van Bleyswijck dat van vijftien jaar na de ramp dateert, blijkt nog geen schatting van het aantal slachtoffers. Systematisch onderzoek bleef destijds kennelijk achterwege. Beging een (pasbenoemd) beambte die net het gebouw was binnengegaan een fatale fout? ,,Hoe het precies is gebeurd is tot nu toe verborgen gebleven en zal vermoedelijk ook door geen mens ooit geweten worden.'' Dat is alles wat de geschiedschrijver concludeert.

Wat we wel weten: één slachtoffer was de jeugdige schilder Carel Fabritius, een van Rembrandts meestbelovende leerlingen, wiens kleine oeuvre nu in het Mauritshuis in Den Haag wordt tentoongesteld. De Delftse schilder Egbert Lievensz. van der Poel maakte tientallen schilderingen van de ontploffing. Hij verloor bij de ramp een zoon; was schilderen zijn arbeidstherapie? De Delftse predikant De Witt schreef een kort gedicht; hij beschouwde het gebeuren als straf van God. Vondel schreef een veel langer gedicht. Hij vermeed het om de ramp te duiden.

In Museum Het Prinsenhof, St. Agathaplein 1 in Delft is tot 3 jan een presentatie over de Delftse Donderslag. Di-za 10-17, zo 13-17 uur.