Dienst

Op een zondagse wandeling door de Amsterdamse wijk De Baarsjes kwam ik langs een grote kerk. Voor de ingang aan de Vasco da Gamastraat wemelde het van de zwarte mensen, vooral Surinamers en Antillianen bleek later. Dat was nogal opvallend in deze buurt waar veel meer Marokkanen en Turken wonen.

Ik ging het kerkgebouw binnen waar een dienst op het punt stond te beginnen. De kerk bleek uit een grote, hoge zaal te bestaan die afgeladen was met vrolijk roezemoezende mensen. Ik zag slechts een paar witte gezichten. Een man die zich `een van de voorgangers' noemde, gaf me een hand en vertelde dat ik me in de kerk van de Maranatha Ministries bevond, een ongeveer veertig jaar oude evangelische gemeenschap in Amsterdam die inmiddels tweeduizend leden telt.

Naast me kwam een jong Surinaams stel zitten waarvan de man tegen me zei: ,,Er zijn twee mogelijkheden: óf u komt nooit meer terug, óf u wordt zelf lid.''

Daarna mocht het feest beginnen.

Een feest, ja, dat was het vooral voor die kerkgangers.

Eerst werd er drie kwartier gezongen en gedanst op de meeslepende gospels van een klein combo. Met tekstregels als: O het bloed van Jezus/ wast witter dan de sneeuw. Jonge, fleurig geklede vrouwen stonden te dansen in de gangpaden, anderen holden rond met wapperende vlaggen. De overige kerkgangers bleven voor hun stoel staan en klapten uitbundig op de maat van de muziek.

Op het toneel voorin de zaal begonnen ook enkele voorgangers en leden van een koor te shaken dat het een aard had. Er was een ouder, blank heertje bij dat het jasje van zijn pak uitdeed en onbekommerd meezwierde.

Iedereen had lol, zo kun je het wel het beste samenvatten.

Op zeker moment moest iedereen zijn buurman een hand geven en zeggen: ,,I love you.'' Mijn buurman en ik hielden het bij een ferme handddruk.

Een voorganger meldde tussen de bedrijven door ,,dat de sleutels van een BMW gevonden zijn''.

Ik moest onwillekeurig terugdenken aan de oersaaie kerkdiensten uit mijn jeugd, waar iedere bezoeker leek te snakken naar het einde. Gelukkig duurden ze maar een uurtje, dan waren we er weer voor een week vanaf. In de Maranatha-kerk duren de diensten 2,5 uur en niemand probeert stiekem te deserteren.

Voor mij duurde het te lang, al durfde ik dat mijn Surinaamse buurman niet te zeggen. Naar de muziek had ik nog uren kunnen luisteren, maar bij de predikanten begonnen mijn problemen. De belangrijkste predikant was een gast, een 74-jarige Amerikaan, Samuel Doctorian geheten. Hij bleek een internationale vermaardheid te zijn, die boeken schrijft en over de hele wereld optreedt.

Bijgestaan door een tolk deed hij zijn eindeloze verhaal. Hij leek me een ijdele man, verwend met aandacht en devotie. Hij vertelde zó: ,,Ik had in Brazilië een collega! Die had een broer! In Australië! Die was afgedwaald! Ik ging een keer naar Australië! We moesten eten! Ik wilde enkele restaurants niet binnengaan! Ik koos een ander restaurant! Daar was een man! Het was die broer! Binnen enkele minuten had ik hem tot Jezus geleid!''

Tegen het einde kreeg iedere bezoeker een koekje en een klein glaasje zoete wijn aangeboden – het symbolische vlees en bloed van Jezus. For my daily bread, werd er ontroerd gezongen. Ik bedankte mijn buurman en ging naar huis.