Bush' fout: hij erkent geen fouten

President Bush wil geen verantwoordelijkheid nemen voor fouten, en dat gaat steeds meer kiezers irriteren, meent E.J. Dionne.

Als deze campagne voorbij is, zou Linda Grabel wel eens beroemd kunnen worden. Zij legde president Bush in het debat van vrijdag de boeiende vraag voor die misschien de toon zal zetten voor de rest van deze campagne. Nadat ze had opgemerkt dat de president met ,,duizenden besluiten miljoenen levens had beïnvloed'', wilde ze weten: ,,Geeft u eens drie voorbeelden waarin u besefte dat u een verkeerd besluit genomen had, en wat u hebt gedaan om dat recht te zetten.''

Het antwoord van de president was in twee opzichten opmerkelijk. Ten eerste gaf hij met veel omhaal van woorden helemaal geen antwoord. Hij had het vaag over historici die bij sommige van zijn besluiten misschien vraagtekens zouden zetten en dat hij daarvoor de verantwoordelijkheid zou nemen. Ook stelde hij: ,,Ik ben een mens.''

Ten tweede zei Bush, toen hij eindelijk iets toegaf, het volgende: ,,Ik heb me af en toe vergist in de mensen die ik heb benoemd, maar ik ga geen namen noemen. Ik wil ze niet kwetsen in een tv-uitzending die het hele land ziet.''

Ziedaar in het kort de hoofdredenen waarom de opiniepeilingen laten zien dat zwevende en onafhankelijke kiezers moeite hebben met deze president. Zijn tactiek om nooit fouten toe te geven werkt in het licht van de gebeurtenissen averechts. En toen hem werd gevraagd zijn verantwoordelijkheid te nemen, was zijn eerste opwelling de aandacht op anderen te vestigen door over zijn vermeende verkeerde benoemingen te beginnen.

Je vraagt je af of de president dacht aan mensen als oud-minister van Financiën Paul O'Neill, een van de eerste Bush-getrouwen die de president op zijn regeerstijl aansprak. Misschien betreurt Bush de benoeming van Larry Lindsey tot zijn hoogste economische adviseur, omdat Lindsey op een moment dat de regering het anders probeerde voor te stellen eerlijk zei dat de oorlog in Irak duur zou worden.

Wat een verschil kunnen twee debatten maken. Het eerste leidde zelfs in de Republikeinse gelederen tot wrevel over Bush en bevestigde de geloofwaardigheid van John Kerry als president. Bush deed het beter in het tweede debat kon het ook anders? en bleef daarmee in de race. Maar bij elkaar genomen hebben de twee debatten het hoofdthema van de campagne veranderd.

Minder dan twee weken geleden zag het ernaar uit dat de verkiezingen vrijwel geheel zouden draaien om de zwakheden van Kerry en de eindeloze herhaling van het woord `zwalken'. Bush' eigen staat van dienst verdween naar de achtergrond.

Maar dankzij de debatten en de nieuwsontwikkelingen leren de kiezers de gewoonte van de regering onder ogen te zien om alles te ontkennen en te proberen de aandacht af te leiden. De regering verdoezelt het feit dat haar hoofdargument voor de oorlog niet humanitair was dat Saddam Hussein moest worden afgezet omdat hij een verachtelijk dictator was. Dat was hij inderdaad, maar het kernargument was dat Saddam moest worden aangepakt omdat hij massavernietigingswapens had.

In het debat van vrijdag was Bush uiterst zuinig over de bevinding van de Onderzoeksgroep voor Irak onder leiding van Charles A. Duelfer, dat Saddam geen massavernietigingswapens bezat. ,,Ik was er niet blij mee toen we ontdekten dat er geen wapens waren,'' zei Bush, ,,en de inlichtingendiensten zoeken nog uit hoe dat komt.'' Maar een president die het land zo geprest heeft tot een oorlog op grond van vermeende ernstige bedreigingen is zijn medeburgers meer verschuldigd dan `Oeps'. Daarom is de weigering van Bush om fouten toe te geven, een belangrijk gegeven. Daarmee suggereert hij dat kiezers zelfs in verkiezingstijd geen recht hebben op een heldere en openhartige uitleg van wat er is misgegaan, en waarom.

Bij twijfel geeft de president de schuld aan iemand anders. Bijna alle voorstanders van de oorlog zijn van mening dat de Verenigde Staten na de val van Saddam te weinig troepen hebben gestuurd om de orde te bewaren. Wat zei Bush hierover in het debat? Hij herinnerde zich ,,dat hij in het Witte Huis tegenover die generaals zat en zei: `Hebben jullie wat je nodig hebt in deze oorlog?''' en dat hij naar de kelder van het Witte Huis ging en ,,hun vroeg: `Hebben we het juiste plan en de juiste troepenmacht?' En ze keken me in de ogen en zeiden: `Ja, meneer de president.' ''

Handig, hè? Als we niet genoeg troepen in Irak hebben, is dat de schuld van de generaals, niet van een opperbevelhebber die niet lijkt te houden van andere antwoorden dan: `Ja, meneer.' Maar in een democratie hoeven de kiezers niet `ja, meneer' te zeggen.

E.J. Dionne is columnist van de Washington Post © WP Writers Group