Bruinkool

Het cassettebandje moet al jaren in het opbergkastje van het stadion in Skopje hebben gelegen. `Vilhelmus' stond er met een potlood op de zijkant van het doosje gekrast. Dat moest 'm zijn. De technicus van het stadion wachtte op de rode vlag. Daar kwamen de spelers het veld op. De technicus herkende Van der Sar en Cocu van de plakplaatjes. Hij tuurde naar het rijtje Oranjespelers. Kijk nou! Er liepen negermannen bij. Ze hadden hun peniskokers uitgetrokken en het botje uit de neus gehaald. Het leken net mensen.

De technicus blies het laatste stof tussen het tape weg en stopte het cassettebandje in het apparaat dat hij vrijdagavond nog met de soldeerbout in elkaar had geflanst. Daar, vanaf de oude eretribune, was het vlagsignaal van de oud-stationschef die altijd zo mooi kon vertellen over de aardbeving van 1963 in Skopje. Met een tik van de wijsvinger zette de technicus op het veld het volkslied in werking.

Vervaarlijk slipte het cassettebandje met de inmiddels overleden blaaskapel over de koppen van het apparaat. In de verte klonk iets dat op het Wilhelmus leek. De technicus twijfelde en gaf nog een half coupletje als toegift.

De Nederlandse supporters kwamen in beeld. Het oranje van de petjes en sjaals wilde maar niet echt oranje worden. Het beeld was donker en korrelig in het stadion. Het was of wijlen oppermaarschalk Tito de omwonenden had opgedragen het laatste beetje stinkende bruinkool massaal door de schoorstenen heen te jagen.

Ik zag de droeve gezichten op de tribune en moest denken aan mijn vakantievrienden met wie ik, wel dertig jaar terug, een kapperszaak in Skopje was binnengelopen. De tondeuse kreeg een flinke scheut naaimachine-olie en werd met een paar ferme halen over je hoofdhuid heen gehaald. De kapper had je in een ferme wurging beet zodat je via de spiegel lijdzaam moest toezien hoe je een militair bloempotkapsel werd aangemeten. Het had één voordeel; we vielen niet meer op tussen het volk.

De ouderwetse voetbalavond werd opgediend als een heuse `Balkanplatte', eenvoudig en een tikje aangebakken. Ondanks de warme temperatuur leek iedereen zich te hullen in een molton deken, uitgedeeld door manke oorlogsslachtoffers. Ons kersverse voetbaltv-kanaal sloot er perfect bij aan, het beviel me prima. Oud-strijder Advocaat pruttelde in een sobere studio in de wij-vorm om nog maar eens aan te geven dat hij in zijn klamme dromen nog altijd voor de manschappen staat.

Commentator Eddy Poelmann besefte hoeveel technische luxe hij voorheen had. De ervaren rot voelde onmiddellijk dat beeld en geluid ernstig tekort schoten. `Aan de kwaliteit in uw richting wordt hard gewerkt', zei hij kalmerend en voorkwam daarmee dat ik met drie mokerslagen op mijn televisie de verbinding zelf had verbroken.

Aan het einde van de avond kregen we een voorproefje van de toekomstige real life soap rond Oranje. Geheel buiten de traditie van de ouderwetse uitzending kwam er een modern camerashot vanuit de kleedkamer. Het duurde exact negen seconden. De prettige Balkansfeer was in één klap verdwenen. Onze jongens zaten al in een felblauw trainingspak op de bankjes. Van Bommel schudde zijn voetbalschoenen leeg op de tegels. In het hoekje overdacht Castelen de suggestie van tv-commentator Richard Witschge om in vervolg Van Castelen te gaan heten.

Eén voetballer zat met het hoofd buiten beeld. Hij maakte met een witte handdoek de onderkant van zijn slippers schoon. Daar was het bruin van buiten weer; donkerbruine strepen op een witte handdoek. Advocaat was even stil in de studio. Hopelijk overdacht hij – net als u, ik, wij, allemaal – het dédain voor de klassieke wasvrouw dat hier in volle glorie werd getoond.