Vliegtuigbouw kan zonder staatssteun

De Amerikaanse regering wil niet dat de Europese vliegtuigbouwer Airbus de bouw aankondigt van een vliegtuig dat kan concurreren met Boeings nieuwe 7E7. Dat is de reden - samen met de aanstaande verkiezingen - dat zij bij de Wereldhandelsorganisatie WTO een klacht wil indienen tegen de Europese subsidies voor Airbus. Het is een dwaas voornemen, maar het biedt de betrokken regeringen een kans om zowel de wereldhandel als het luchtvervoer iets rationeler te maken.

Airbus en Boeing ontvangen heel veel staatssteun. Maar de Verenigde Staten hebben geen signaal gegeven dat zij bereid zijn hun subsidies af te schaffen. Zij willen slechts de concurrentie schade toebrengen. Dat hoeft geen verbazing te wekken, want Airbus heeft Boeing ingehaald door betere vliegtuigen te bouwen.

Hoewel de klacht dus eenzijdig is, is het probleem reëel genoeg. De hele vliegtuigbouw wordt te zwaar gesubsidieerd. Boeing rekent voor dat Airbus sinds 1992 15 miljard dollar aan staatssteun heeft gekregen, en Airbus brengt daar tegenin dat Boeing 23 miljard dollar heeft geïncasseerd. Als de cijfers in de buurt van de waarheid liggen, zouden de subsidies in de afgelopen tien jaar meer dan de helft van de gerapporteerde operationele winst van beide bedrijven voor hun rekening hebben genomen. Ook de luchtvaartmaatschappijen, de klanten van Boeing en Airbus, ontvangen allerlei soorten staatssteun.

Al die hulp had ooit zin, toen de vliegtuigbouw nog versnipperd en onderontwikkeld was. Maar nu zijn er nog maar twee fabrikanten van grote vliegtuigen over, die allebei financieel solide zijn en beschikken over de modernste technologie. Ook de luchtvaartsector staat stevig in zijn schoenen. Het is tijd dat de passagiers meer gaan betalen voor hun vluchten en de belastingbetalers minder.

Als de WTO de Amerikaanse en Europese overheden zover kan krijgen dat ze de subsidies afschaffen, zou bijna iedereen daarvan profiteren. De sector zou een rationelere basis krijgen en de wereldhandel zou een iets minder vertekend beeld te zien geven en het gezag van de WTO zou vergroot worden. Alleen de subsidie-ontvangers en hun beleggers zouden mopperen. Die prijs zou wel eens het overwegen waard kunnen zijn.

Een dergelijke goede afloop is mogelijk, maar niet makkelijk. De structuur van de WTO is gericht op de afhandeling van juridische disputen en niet op onderhandelingen. Zowel de landen van de Europese Unie als de Verenigde Staten gebruiken harde woorden en dreigen met vergeldingsmaatregelen. De agressieve aanpak is riskant, omdat handelsruzies makkelijk uit de hand lopen. De vliegtuigbouw is niet alleen een grote, maar ook een heel zichtbare sector. Een harde aanvaring hier zou een handelsoorlog kunnen ontketenen. Dat zou een ramp zijn voor de wereldeconomie.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar:

zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.