Uitleveringsbevel kan knellen

Het Europees uitleveringsbevel is een potentiële aanslag op het Nederlandse drugsbeleid, maar ook op de euthanasie en abortuswetgeving.

Het Europese arrestatiebevel dat in het kielzog van de aanslagen van 11 september 2001 tot stand kwam, heeft voor veel commotie in de juridische wereld gezorgd. Nu komt er een nieuw Europees bevel aan dat ,,even baanbrekend'' kan zijn.

Dit signaleerde de Haagse advocaat en specialist in het Europees recht B.J. Drijber onlangs in het Juristenblad. Het voorgestelde bevel betreft de bewijsverkrijging. Het vormt de brug tussen het aanhoudingsbevel en de inmiddels ook al vergemakkelijkte procedure voor uitlevering binnen de EU, die bekend staat als overlevering.

Hoewel de Nederlandse regering snel akkoord ging met het aanhoudingsbevel en de overlevering voelt zij nu toch nattigheid. Staatssecretaris Nicolaï (Europese zaken) noemt de proportionaliteit (verhouding tussen doel en middelen) van het bewijsverkrijgingsbevel ,,twijfelachtig''. Het bevel raakt ,,elementaire onderdelen van het strafprocesrecht''. Er bestaat daarom ,,aanleiding te bezien of met minder vergaande middelen hetzelfde doel kan worden bereikt''.

Het bevel is wat het zegt: een opdracht van de justitiële autoriteiten van het ene land aan hun tegenhanger in een ander land om materiaal voor een strafzaak te vergaren zonder deze opdracht nader te toetsen, zoals gebruikelijk is in het internationale rechtsverkeer. Het kaderbesluit gaat uit van een rechterlijk bevel, maar ook de openbare aanklager kan daartoe besluiten. Dat is een niet onbelangrijk verschil, maar het maakt niet uit volgens de EU: de vrager beslist.

Het bevel kan alleen betrekking hebben op het leveren van ,,bestaand bewijs', zoals bankrekeningen of bepaalde voorwerpen. Buitenlandse magistraten krijgen niet het recht om telecommunicatie te laten afluisteren, verdachten te laten verhoren of DNA-materiaal te laten onderzoeken. Deze grens is echter minder scherp dan het lijkt, want reeds bestaande tapverslagen, verbalen van een verhoor of DNA-rapporten vallen weer wél onder het bevel.

Op een aantal punten is het voorstel wel zeer ,,verstrekkend'', noteert Nicolaï zuinigjes. Zo gaan de bevoegdheden voor het grensoverschrijdend vergaren van computergegevens die het kaderbesluit in petto heeft, verder dan het onlangs totstandgekomen Cybercrime-verdrag. En dat doet volgens sommige deskundigen al erg makkelijk over ,,computerzoekingen''.

Een principieel knelpunt is dat een buitenlands bevel niet kan worden geweigerd indien het betrekking heeft op een delict dat op Nederlands grondgebied is gepleegd. Toch behoort de Nederlandse justitie dan volgens het elementaire beginsel van comitas (internationale hoffelijkheid) voorrang te hebben. Ook vervalt, na een overgangstijd, de eveneens elementaire voorwaarde van dubbele strafbaarheid. Daardoor kan medewerking niet worden geweigerd als het delict in kwestie wél strafbaar is in het buitenland maar niet in ons land. Dat is niet alleen een potentiële aanslag op het Nederlandse drugsbeleid, maar ook op de wetgeving over euthanasie en abortus – om maar te zwijgen van het homohuwelijk.

Ook als het niet tot regelrechte confrontaties met ons rechtsstelsel komt, kunnen al die dwingende buitenlandse verzoeken de prioriteiten van de Nederlandse justitie nog aardig verstoren. En er is niet voorzien in extra geld. Dit is de eerste reactie van de hoogleraar internationaal strafrecht André Klip (Universiteit Maastricht). Hij wijst ook op wonderlijke details. Zo kan een buitenlands bewijsvergaringsbevel worden ingediend in de officiële taal van het verzoekende land. Moet je nagaan met vijfentwintig EU-leden, van Estland tot Cyprus. Het Europese rechtshulpverkeer was het net een beetje eens geworden over Engels-Frans-Duits als voertaal. Klip: dit is een stap terug.

Erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen is onmiskenbaar een belangrijk thema binnen de EU. Het lid van de Hoge Raad G.J.M. Corstens brak er onlangs een lans voor in de bundel Europeanisering van het Nederlands recht ter gelegenheid van het afscheid van de W.E. Haak als president van het hoge rechtscollege. Maar Corstens waarschuwde ook tegen het risico van Kafkaeske gevolgen van wederzijdse erkenning voor de rechtsbescherming. ,,Het moet niet zo zijn dat de aangezochte staat zich op het standpunt stelt dat de rechtmatigheid van de bewijsgaring zaak is van de staat waar het bewijsmateriaal straks moet worden gebruikt en dat de verzoekende staat bezwaren tegen de bewijsgaring vervolgens afwijst onder het motto: dat is de zaak van de rechter in de staat van bewijsgaring''.

Dat is echter precies het gevaar: de vrager beslist. Zo bestaat het risico dat de Europese burger tussen wal en schip valt.