Taal komt aanwaaien 2

Het is opmerkelijk dat in het NRC het belang van taalkundig onderzoek wordt gemeten aan de mate waarin men zich afzet tegen Chomsky. Alsof enige wetenschap te scheiden is in een gemeenschap van `gelovigen' en een bende `revolutionairen'. Ook in de Wetenschapsbijlage van 18 september (`Taal komt aanwaaien') mag weer een ongelovige Tomasello uitleggen waarom zijn werk zo revolutionair is: het zou het failliet betekenen van de hypothese van de Universele Grammatica.

Nu is het jammer dat uit het artikel niet duidelijk wordt wat precies onder Universele Grammatica verstaan moet worden. De term `grammatica' heeft in de moderne taalwetenschap een andere betekenis dan in het dagelijks leven, net zoals bijvoorbeeld de termen `kennis', `creativiteit' en `regel'. Al deze termen hebben niet direct betrekking op taal maar op het taalvermogen, een onderdeel van het cognitieve systeem dat in een aantal opzichten uniek voor de menselijke soort lijkt te zijn.

Recent onderzoek suggereert dat het onderdeel van het cognitieve systeem dat specifiek bij taal werkzaam is beschreven moet worden in nogal abstracte termen: te denken valt dan aan het vermogen reeksen te organiseren in groepen die hiërarchisch gestructureerd zijn, en aan het vermogen via eenvoudige procedures eindeloze reeksen van zulke structuren te genereren (recursie). De discussie over Universele Grammatica spitst zich toe op de vraag in hoeverre dit vermogen uniek voor taal is en voldoende om essentiële eigenschappen van talen te verklaren (o.a. Hauser, Chomsky en Fitch in Science van maart 2002).

Dat communicatie het proces van taalverwerving een onmisbare impuls geeft is algemeen bekend en geen onderwerp van discussie. Er zijn echter geen aanwijzingen dat vaardigheden die een rol spelen bij communicatie van het abstracte soort zijn dat we nodig hebben om eigenschappen van (in principe oneindige) reeksen hiërarchische structuren te verklaren, zoals we die aantreffen in taal. Zo deelt de communicatieve situatie niets mee over de structuur van woordgroepen, en is het de vraag of de definitie van afhankelijkheidsrelaties op te maken valt uit `joint attention'.

Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, dan is weer een verklaring nodig voor de universele aspecten van de menselijke communicatieve vermogens, waardoor we toch weer uitkomen bij het cognitieve systeem. Met andere woorden, het zou dan juister zijn te stellen dat het onderzoek van Tomasello de eigenschappen van de Universele Grammatica blootlegt dan dat het het bestaan ervan ontkent.