Stroop, gelatine, duinvoet

TERUG NAAR eerdere stukken. Eerst terug naar het zwemmen in de pap van guar-gom dat vorige week werd beschreven. De chemisch technoloog Edward Cussler had onderzocht of een zwemmer in kunstmatig verdikt water sneller of langzamer vooruit komt. Verhoging van de stroperigheid (de viscositeit) verhoogt de weerstand, maar vergroot ook het gemak waarmee men zich tegen het water afzet.

Cussler heeft inmiddels het concept toegestuurd van zijn artikel voor het AIChE Journal. Het voegt niet heel veel toe aan wat al in een Nature-nieuwsbericht stond. Inderdaad was de viscositeit van het zwembadwater met niet meer dan een factor twee verhoogd tot een waarde die ongeveer overeenkomt met die van water van nul graden. Er bleek dan ook nauwelijks een effect meetbaar, al zou je uit de bijgesloten grafiek kunnen afleiden dat de langzame, ongeoefende zwemmers wel enig profijt hadden van de gom en de wedstrijdzwemmers juist niet.

Met een klassieke beschouwing à la Reynolds en de conclusie dat het menselijk zwemmen `turbulent' is, en niet `laminair', komt Cussler tot de uitspraak dat de viscositeit wel met een factor duizend verhoogd had moeten worden om een effect te vinden.

Het NIOZ, het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel, zal op zaterdag 23 okober een proef doen die lijkt op die van Cussler. Een demonstratiemodel zal er zwemmen in een bad waarin een dunne laag warm water drijft op heel koud water (zeven graden Celsius). Het idee is dat het koude water een hogere zwemweerstand oplevert dan het nietsvermoedende model verwacht en dat zij daardoor des te makkelijker verdrinkt (zgn. mooi-weer-verdrinking). We weten inmiddels: dat is niet zo. Maar het NIOZ gebruikt de proef ook om het bestaan van `interne golven' aan te tonen.

Drijfzand ìs niet gevaarlijk, stond hier in de marge van het guargomstuk, want het heeft een heel hoge dichtheid en daardoor kun je niet kopje ondergaan. Het is wèl gevaarlijk, schrijft prof.ir. W. Reinold de Sitter. Het gevaar vandrijfzand is dat je er niet meer uitkomt. De hoge viscositeit van het water-zand mengsel verhindert dat water toestroomt als je je voet beweegt. Elke beweging trekt een soort vacuüm dat verder bewegen hindert. Er komt nog bij dat gespartel de korrelstapeling van het zand verandert waardoor de schuifweerstand toeneemt. Dat geeft extra viscositeit. Op internet wordt de werking van `quicksand' ook in verontrustende termen beschreven. De troost komt er van de constatering dat drijfzand nooit diep kan zijn.

Van de guarpap naar de gelatinepudding. Twee weken geleden ging het over het gebruik van gelatine om de aanwezigheid van proteasen, eiwitsplitsende enzymen, aan te tonen. Gelatine is een soort eiwit. Als het door proteasen is aangetast en afgebroken dan wil het niet meer stollen. Het besproken proefje is te vinden op de site van de stichting C3 (Communicatie Centrum Chemie, zie www.c3.nl onder `Voor kids'). Het daar vermelde recept kan worden aangepast, met de helft van de gelatine lukt het ook, waarschijnlijk zelfs met een kwart. In de ijskast stolt gelatine bovendien al in drie kwartier.

Het is een uiterst elegant proefje met een verrassend eenduidige uitslag. Een klein beetje sap uit kiwi of ananas is voldoende om het stollen volkomen te verhinderen. Maar een heel korte verhitting van het sap stelt de proteasen buiten werking. De uitdaging is nieuwe bronnen van vrije proteasen te vinden. Van AW-wege is deze week nog geëxperimenteerd met tuinaarde, gehakt (h.o.h.), sambal, meloen, mango en opnieuw Ariel Color maar het werd weer niets. Papajasap moet een goede gelatineremmer zijn, maar het kwam in het AW-labo niet tot actie. De lezer begrijpt dat er een verband is tussen de aanwezigheid van proteasen in kiwi en ananas en de smerige smaak die deze vruchten vaak geven aan zuivelgerechten (yoghurt, kwark en runderslagroom).

Op 21 augustus kwam de `zoete kwel' ter sprake. Er was vakantie gehouden op een strand aan de voet van een duin in Frankrijk en uit de voet sijpelde water. Het was schoon, zoet water als het vers uit de voet welde, maar na een paar dagen dreef er een donkerbruin vlies op. Dat moesten wel ijzerbacteriën zijn, was de AW-conclusie. Want dit is een standaardvoorbeeld van het optreden van zulke bacteriën.

Daarna ging het over de vraag of er ook in Nederland nog wel eens zoet water uit de duinen naar zee stroomde. De indruk was: nee. Maar een waterdeskundige verklaarde dat het onder het strand naar zee liep. Groef je diep genoeg dan kwam je het vanzelf tegen. Zo gezegd, zo gedaan, maar toch bot gevangen. De onderzoeksgroep Geochemie van de Universiteit Utrecht laat weten dat `uittreding van zoetwater' aan het strand (ook onder water) toch een bekend verschijnsel is in veel kustgebieden. Toevallig stelt het in Nederland weinig voor.

Een wetenschapper verbonden aan museum Naturalis zag in april 1988 bij Bergen aan Zee, na overvloedige regenval, wel degelijk zoet water uit de duinvoet stromen. Ook dit werd bruin, maar dat kwam van grote hoeveelheden diatomeeën, een soort algen. Een andere lezer beschrijft hoe haar vader omstreeks 1929 al diepe kuilen groef in het strand dicht onder het duin en dan altijd hoopte, en kennelijk verwachtte, zoet water aan te treffen.