Stille kracht

Het kan tegenzitten op de zware pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela. Maar als de nood het hoogst is, is de redding meestal nabij. Santiago loopt namelijk onzichtbaar met iedere pelgrim mee.

Nooit zie je hem, maar als het nodig is kruist hij je pad: Santiago. Dat is althans de vaste overtuiging van Minus, mijn oude wandelvriend uit Rotterdam met wie ik nu voor de tweede keer een deel van de eeuwenoude pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela loop. ,,Santiago loopt onzichtbaar mee met iedere pelgrim en schiet te hulp bij grote problemen.''

Minus kan 't weten: hij liep de oorspronkelijke pelgrimsroute naar het bedevaartsoord van de heilige Santiago elf jaar geleden al eens helemaal. En sindsdien wandelt hij jaarlijks delen van de tocht, vaak in gezelschap van familie of vrienden. Dit jaar loopt Minus de route vanuit het zuiden van Spanje, over de Via de la Plata. Peter, een net gepensioneerde Amerikaanse Nederlander, en ik zijn z'n medepelgrims.

We hebben de eerste drie dagen er op zitten. Het is folderachtig vakantieweer: stralende zon aan een wolkenloze hemel met temperaturen van 35 graden of hoger. Ideaal voor een dagje strand, minder prettig voor een dagelijkse tocht van twintig kilometer met een rugzak op. Nu voelen we pas hoe groot de ontberingen konden zijn voor de echte pelgrims vroeger.

Op een terras in Aljucen, zo'n 250 kilometer boven Sevilla drinken we koud bier en Larios, een Spaanse jenever-variant. Spiritualia die herinneringen bovenbrengen bij Minus van momenten waarop Santiago opdook op de route. Die keer bijvoorbeeld toen hij met een van zijn dochters wandelde en in een groot bos terechtkwam. Diep in dat bos liepen ze langs een slapend oud mannetje. Hij schrok wakker van hun `buenos dias', herkende hen als pelgrims, stond op en gebaarde dat ze hem moesten volgen. Ze bleken volledig van de route te zijn afgedwaald. Het mannetje liep met ze terug tot ze weer uitkwamen bij een vertrouwde gele pijl, de vaste bewegwijzering op de route. ,,Dat mannetje was Santiago.''

Volgens Minus kan Santiago ook spreken via jongere mensen. Zoals die keer toen hij onverwacht moest terugkeren naar Nederland. Via bussen en taxi's belandde hij op een vliegveld. Daar vroeg hij of er nog plaats was op de vlucht naar Amsterdam die dag. Nee, was het stellige antwoord van de dame achter de balie, alles zat vol. Geslagen liep Minus weg. Net toen hij op een bankje wilde gaan zitten, wenkte de baliedame hem. ,,Bent u een pelgrim?'', vroeg ze. Ze had zijn wandelstok gezien en de schelp op zijn rugzak, een symbool van pelgrims die Santiago de Compostela gehaald hebben. Ja, antwoordde Minus. Wacht u hier dan even, zei de dame. Een paar minuten en wat telefoontjes later had ze alsnog een plek voor hem geregeld. Zijn vlucht ging over tien minuten en hij mocht mee in de cockpit, vertelde ze stralend. ,,Daar greep Santiago precies op het goede moment in.''

De volgende ochtend stappen we vol vertrouwen de nieuwe dag in. Een nog warmere dag. We hebben het zwaar. Na vier uur zwoegen in de zon zijgen we neer onder een oude eikenboom. Al die uren zijn we geen mens tegengekomen. Ons wandelgidsje maakt melding van drooggevallen beekjes, rotspartijen en prachtig weids uitzicht. Minus draagt droogjes voor uit het boekje: ,,U nadert het Cruz del Nino Muerto, opgericht op de plaats waar een herdersjongen door wolven verslonden werd.''

We hebben nog andere zorgen: ons water raakt op. De proviand die ons nog rest bestaat uit vier koude worstjes in vacuüm-verpakking en een zak vol Punselies, stroopwafeltjes die twee KLM-stewardessen op de heenreis onbeperkt aan ons serveerden. We kijken elkaar wat bezorgd en vertwijfeld aan: is dit nog verantwoord? Maar voordat we die vraag kunnen uitspreken worden we verrast door geronk dat langzaam dichterbij komt. We springen het pad op en zien in de verte een oude pick-up truck aan komen rijden. ,,Daar zul je Santiago hebben!'', roept Minus doodleuk uit.

Even later zit onze oude vriend naast een kleine Spaanse houthakker die bij het zien van onze rugzakken en schelpen geen seconde twijfelde en de enige zitplek naast hem in ruimt voor de oudste wandelaar van de groep. Hij zal Minus naar het dichtstbijzijnde dorp brengen. Peter en ik krijgen water van de Spanjaard en besluiten de resterende vier kilometer zelf wandelend af te leggen. We zwaaien hen uit.

Maar als we tien minuten later onze tocht willen hervatten, horen we weer geronk. Nu komt er een glimmende personenauto onze kant op rijden vanuit de richting waarin Minus tien minuten geleden verdwenen is. Als de auto stopt herkennen we de houthakker. En naast hem zit Minus. Hij opent glimlachend zijn raampje en zegt: ,,Het leek Santiago en mijzelf beter jullie ook even mee te nemen, dan kunnen we straks gezamenlijk wat drinken op de goede afloop.'' En hoewel hij er niets van begrepen kan hebben, lacht `Santiago' de houthakker vrolijk mee met Minus. We zijn gered.

Santiago heeft ons pad gekruist.