Ouders zijn zuinig tegen wil en dank

De overheid wil dat ouders meebetalen aan de studie. Maar ouders in Nederland zijn zuinig en het aantal ouders dat helemáál niets betaalt, neemt ook toe.

Even rekenen: je woont op kamers en krijgt daarom 228,20 euro studiefinanciering. Op een aanvullende beurs heb je geen recht. Lenen wil je niet, dus heb je er een baantje bij waarmee je 300 euro per maand verdient.

Kun je van 528 euro en twintig cent leven? Nee dus. Volgens een – optimistische – schatting van de Informatie Beheer Groep is de gemiddelde uitwonende student 716 euro en 19 cent per maand kwijt. Je komt dus 157 euro en 99 cent tekort.

Nou hoeft dat niet erg te zijn. Er zijn nog altijd de ouders. Tot en met je 21ste dragen zij financiële verantwoordelijkheid voor jou, maar ook na die tijd gaat de overheid ervan uit dat ouders of verzorgers meebetalen aan de studie van de kinderen. Op de website van de Informatie Beheer Groep kan iedereen uitrekenen hoe hoog deze ouderbijdrage moet zijn.

Tot zover de theorie.

Ouders zijn maar al te vaak wanbetalers. Nee, Néderlandse ouders zijn maar al te vaak wanbetalers, want in de ons omringende landen zijn ouders veel minder zuinig voor hun studerende kinderen. In opdracht van het ministerie van onderwijs maakte het internationale onderzoeksbureau RAND Europe, onder meer gevestigd in Leiden, een vergelijking van verschillende stelsels van studiefinanciering in tien westerse landen.

Voor hun onderzoeksvraag, in welk land zijn overheid én student financieel het beste af, vergeleken de onderzoekers onder meer de rol van ouders. Ouders in Nederland, stelden zij vast, zijn in de praktijk verantwoordelijk voor circa 20 procent van de inkomsten van hun studerende kinderen.

Erg veel is dat niet. Althans: vergeleken met het buitenland. In België bijvoorbeeld ligt het percentage dat ouders voor hun rekening nemen veel hoger, op circa 60 procent. Ook in landen als Duitsland (50 procent), Verenigde Staten (25 procent), het Verenigd Koninkrijk (28 procent) en Italië (58 procent) spelen ouders een veel grotere rol. Alleen in Australië en Denemarken zijn ouders zuiniger dan in Nederland.

Voor een groot deel, schrijven de onderzoekers, heeft dit verschil te maken met de verschillende stelsels van studiefinanciering. Over het algemeen geldt: hoe minder de overheid bijdraagt, des te meer springen de ouders bij. Zo krijgt in België slechts 20 procent van de studenten een extra toelage van de overheid. Ouders, die totdat hun kind 25 jaar is kinderbijslag krijgen, worden geacht de rest te betalen.

Ook in Duitsland is de druk op ouders om mee te betalen groot. Daar bestaat nog altijd het zogeheten solidariteitsprincipe, wat betekent dat ouders in principe de eerste bron van inkomsten voor studenten zijn. Pas als zij dat niet kunnen, bijvoorbeeld omdat zij werkloos zijn, krijgt de student recht op een beurs.

Daarmee vergeleken is Nederland nog niet zo slecht voor ouders van studerende kinderen. Zodra hun kind ouder is dan 21, kan het nergens meer aanspraak op maken. Veel meer dan een morele plicht wil de overheid ouders niet opleggen. Al in 1999 constateerde een ambtelijke werkgroep van het ministerie van onderwijs het probleem van de vrijblijvendheid.

In een verkenning over een nieuw stelsel voor de studiefinanciering, in opdracht van toenmalig minister Hermans, schreven zij dat er ”soms verwarring” ontstaat over wat er van ouders wordt verwacht. Aan de ene kant verplicht de overheid ze tot niets, aan de andere kant zijn studenten in de praktijk volledig afhankelijk van hun ouders.

Bij het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) komen ze ook regelmatig binnen, de klachten over wanbetalende ouders, zegt bestuurslid Willem-Jan Wieland. Een excuus is snel verzonnen: we kunnen het niet betalen, je hebt toch al een baantje, een beetje schuld is toch nier erg.

Wie geen geld krijgt, kan aanspraak maken op een aanvullende beurs bij de Informatie Beheer Groep. Er is alleen één probleem: je moet aantonen dat je een ”verstoorde relatie” met je ouders hebt, bijvoorbeeld door familieleden of vrienden als getuige op te voeren. Een lastige weg dus. Toch neemt het aantal kinderen van wanbetalende ouders dat een beroep doet op deze 'hardheidsclausule' toe. Vorig jaar vroegen 22.505 studenten zo'n beurs aan, blijkt uit cijfers van het ISO. Het jaar daarvoor waren dit nog 21.609 studenten. Ongeveer 90 procent van deze aanvragen is goedgekeurd door de IBG.

Toch vinden de ambtenaren het Belgische of Duitse model geen goed idee voor Nederland, omdat verplichting ”averechts zou kunnen werken”. ”De bereidheid tot betalen zou in die situatie wel eens minder groot kunnen zijn dan nu het geval is.” Het departement ziet meer in betere voorlichting aan ouders, zodat ze er beter op kunnen worden gewezen wat hun plichten zijn. Net als in het basis- en voortgezet onderwijs blijft de ouderbijdrage voorlopig ”verplicht vrijwillig”, aldus het ministerie.