O-Europa: van hulpontvanger naar hulpgever

Ze zijn amper het stadium voorbij, waarin ze ontwikkelingshulp ontvingen. Maar nu moeten de nieuwe lidstaten van de Europese Unie zelf ontwikkelingshulp gaan verstrekken. Dat is wennen.

Het budget voor ontwikkelingshulp van Estland bedraagt welgeteld twee miljoen euro per jaar. In Afrika, de meest gangbare bestemming voor hulp bij andere donorstaten, beschikken de Esten bovendien over geen eigen ambassade. ,,Het is een begin'', stelt Priit Turk van het Estse ministerie van Buitenlandse Zaken desondanks opgewekt vast. Ter vergelijking: Nederland besteedt dit jaar ruim vier miljard euro aan hulp.

Pas vier jaar geleden besloot de Estse regering dat ze zelf geen hulp meer wilde ontvangen van UNDP, de VN-organisatie voor ontwikkeling. ,,We waren de eerste staat in Oost-Europa, die dat deed'', aldus Turk. Dit vertoon van zelfvertrouwen kwam de Esten prompt op kritiek te staan van andere aankomende EU-lidstaten. Die waren bang dat de geldkraan van UNDP ook voor hen zou dichtgaan.

De EU laat de nieuwe lidstaten weinig keus. Ze verwacht dat alle lidstaten, rijk of arm, ontwikkelingshulp verlenen. Zo'n 4,86 procent van hun bijdrage aan `Brussel' wordt hoe dan ook besteed aan dit doel. Daarnaast worden ze geacht zelfstandig ontwikkelingshulp te verlenen, al gelden daarvoor geen keiharde normen. Overigens krijgen de meeste nieuwelingen van de EU tegelijk zelf ook steun uit Brussel om hun boeren te steunen en achterstandsgebieden te ontwikkelen.

De speelruimte voor de politici is gering, omdat hun eigen land heeft te kampen met economische problemen. ,,Hoe leg je de belastingbetaler uit dat we meer geld aan de reproductieve gezondheidszorg in Afrika moeten besteden'', vraagt Ernö Bohár van het Hongaarse ministerie van Buitenlandse Zaken. ,,Die zal vragen: waarom doen jullie niet eerst wat aan de Roma in het oosten van Hongarije?''

Gemakkelijker ligt het met hulp aan voormalige communistische `broederrepublieken', zoals Georgië en Oekraïne, maar ook verder af gelegen landen als Vietnam of Angola. Daarmee bestonden ten tijde van het communisme nauwe banden. Polen en Hongaren hielpen er fabrieken en wegen aanleggen. Ook kwamen er veel Afrikanen en Vietnamezen in Oost-Europa studeren. ,,Je komt in Vietnam overal Pools sprekende mensen tegen'', zegt Malgorzata Zdzienicka van de Poolse ambassade in Den Haag.

Zdzienicka maakte deel uit van een groep, die vorige maand Vietnam bezocht om te zien hoe dat land door de EU wordt ondersteund op het terrein van reproductieve gezondheidszorg en de bestrijding van Aids. Vorige week evalueerden ze in Brussel hun ervaringen. Doel van de reis, waarvan Nederland deels de kosten droeg, was de nieuwelingen in de EU te doordringen van het belang van ontwikkelingshulp. Een soortgelijke reis ging naar Oeganda.

Het was een vreemde gewaarwording voor de Oost-Europese Vietnam-gangers om bij de viering van een nationale feestdag plotseling straten vol rode vlaggen te zien, precies zoals dat voor de ondergang van de Sovjet-Unie bij hen ook gebruikelijk was. ,,Dat maakte wel emoties los'', aldus Katrin Saks, een sociaal-democratisch parlementslid uit Estland.

De Vietnamezen kloppen op hun beurt vaak eerder aan bij de Oost-Europeanen, omdat ze die beter kennen en omdat die nog maar net de overgang van communisme naar een democratische markteconomie achter de rug hebben. ,,We hebben dit jaar al acht delegaties uit Vietnam op bezoek gehad'', zegt Bohár. ,,Ze wilden bestuderen hoe het Hongaarse parlementaire systeem werkt, hoe onze ombudsman klachten afhandelt, hoe we wetten opstellen en hoe onze lokale democratie werkt.''

Juist op zulke terreinen hebben de nieuwe lidstaten wat te bieden, meent Bohár, zelf voormalig ambassadeur in Vietnam en thans onderdirecteur van de nieuwe afdeling voor ontwikkelingssamenwerking op zijn ministerie in Boedapest. ,,De rest van onze hulp is vooral van symbolisch belang.''

De EU zou graag zien dat de nieuwe lidstaten zich wat meer op Afrika richten, maar die houden liever vast aan de landen waarmee ze eerder al contact hadden, ook al zijn die soms minder arm dan de Afrikaanse landen. Hongarije richt zich bij voorbeeld vooral op de Balkan en op Vietnam. Polen, dat een budget heeft van dertig miljoen euro, heeft vooral belangstelling voor landen als Afghanistan, Moldavië, Irak en Vietnam. Wel staat ook Angola hoog op de Poolse lijst.

De Europese Commissie ziet met gemengde gevoelens aan hoe de nieuwe lidstaten hun eigen bedrijfsleven via de hulp proberen te stimuleren. In het algemeen proberen ze de besteding van de hulp zoveel mogelijk in eigen hand te houden. Daarmee lopen ze achter op West-Europa, dat na tientallen jaren eigen hulpverlening eindelijk neigt tot Europese harmonisering. Wanneer de nieuwe lidstaten hierop worden aangesproken, roepen ze echter eenvoudig: jullie hebben dat toch ook gedaan. ,,Dan staan wij met de mond vol tanden'', erkent de Nederlander Koos Richelle, directeur-generaal van het Europese ambtelijke apparaat voor de besteding van de hulp.

Eigenlijk zouden de nieuwe lidstaten conform afspraken met de EU al over twee jaar 0,33 procent van hun Bruto Nationaal Product aan ontwikkelingshulp moeten besteden. Dat gaat – mede door de eigen economische problemen van het moment – zeker niet lukken. ,,We gaan pragmatisch om met het feit dat we nu donoren van hulp zijn geworden'', zegt Bohár. ,,We weten dat het er bij hoort nu we lid zijn van de Europese familie. Maar Europa moet ook begrijpen dat onze mogelijkheden beperkt zijn.''