Niet voor het toetje al van tafel gaan

De eerste paar duizend studenten zijn begonnen aan de nieuwe master- opleidingen. Er blijkt minder nieuws onder de zon dan alle campagnes doen geloven.

'Doctorandus' was een kazige titel, waarmee generaties Nederlandse academici door het leven moesten. In het buitenland hadden ze er nog nooit van gehoord. Als ze daar hun Latijn beheersten vroegen ze of je studie nog niet klaar was. Nee, dan MASTER: een ronde, gulle titel en nog internationaal herkenbaar ook. Met de invoering ervan ging het Nederlandse hoger onderwijs een nieuw tijdperk in. Weg minderwaardigheidscomplex: onze afgestudeerden lopen in de voorste gelederen mee, hoezee!

De invoering van het 'Angelsaksische' stelsel was het vervolg op de 'Bologna-verklaring', die op een dag in 1999 door maar liefst 29 Europese onderwijsministers werd ondertekend. Ze spraken af hun hoger onderwijs beter op elkaar te laten aansluiten. Een prachtig idee, waarvan op dat moment nog niemand wist hoe het in de praktijk moest uitpakken.

Het duurde drie jaar voor de toenmalige minister van Onderwijs Hermans het nieuwe diplomastelsel door het parlement had geloodst. Daarmee was Nederland een van de koplopers in Europa. Hermans had de zaak voortvarend aangepakt. Spanningen tussen universiteiten en hogescholen streek hij glad. Hij was ervan overtuigd dat het Nederlandse hoger onderwijs met het BaMastelsel (Bachelor en Master) meer status zou krijgen. Onze diploma's zouden elders gemakkelijker erkend worden en studenten uit andere landen zouden meer naar Nederland komen – ook aangetrokken door speciale 'topmasters' die de universiteiten wilden ontwikkelen.

Maar na de besluiten kwam de uitvoering. De universiteiten vroegen een half miljard en kregen nog geen 100 miljoen voor de BaMa-invoering. Plannen voor speciale soorten masters werden uitgesteld. Gekozen werd voor een 'sobere' invoering. En die is nu gaande. Over vijf jaar weten we niet beter meer. Maar nu stuit je steeds op sporen van het oude stelsel. Even de verschillen op een rij.

WO: In de oude 4- en 5-jarige studies is na 3 jaar een 'knip' aangebracht, het bachelorexamen. De brede universitaire basis is dan gelegd. Wie geen hogere ambities heeft, kan een baan gaan zoeken. Anderen kunnen zich verder specialiseren in aansluitende masteropleidingen van 1 of 2 jaar. De totale studieduur blijft zo gelijk maar er komt meer ruimte voor verdieping en maatwerk. Bovendien zorgt de knip ervoor dat je gemakkelijker kunt overstappen naar een andere universiteit. Meer keuzevrijheid dus!

HBO: Aan de hbo-studie is weinig veranderd. Wel mag je je na de 4- jarige opleiding bachelor noemen. Dat biedt kansen op een vervolg- master. Meestal moet je die bij een universiteit zoeken. Omdat het hbo praktischer gericht is, moet je wel eerst academische vak- en methodenkennis bijspijkeren: een 'schakelprogramma' van 6 tot 12 maanden met pittige tentamens. Met de juiste hbo-vooropleiding kun je dus in anderhalf jaar universitair master zijn. Dat is winst vergeleken met vroeger, toen je als hbo'er pas na 2 of 3 jaar een doctoraal diploma kon halen.

De echte test van het nieuwe stelsel moet nog komen, want pas twee jaar geleden zijn grote aantallen studenten aan de bachelorfase begonnen; over een jaar komen ze in de masterfase. Op dit moment zijn de wervingscampagnes in volle gang. Elke universiteit gooit er glanzende folders en een hippe website tegenaan. Dat ze bereid zijn voor hun marktaandeel te knokken, bleek toen het bestuur van de Nijmeegse Radboud Universiteit het eigen blad Vox verbood om advertenties van masteropleidingen uit andere steden te plaatsen. Nu komt een bachelor die uit Nijmegen weg wil, toch wel aan zijn informatie. Maar het voorval laat zien dat de concurrentie op gang komt. Daar kunnen nieuwe generaties studenten nog voordeel van hebben.

De eerste paar duizend studenten zijn nu bezig in de nieuwe masteropleidingen – vooral in Wageningen, Delft en bij de VU. De helft had eerder in het hbo gestudeerd. En wat vonden ze ervan? Choice, het instituut achter de Keuzegids, heeft dat aan duizend studenten gevraagd. Hun oordelen waren nog niet laaiend positief.

De inhoud van het onderwijs krijgt wel waardering (rapportcijfer 7,4) maar dat is ook zo in het laatste jaar van de oude doctoraalopleidingen.

Logisch: je zit op een spoor dat je zelf gekozen hebt. Ook voor de kwaliteit van docenten en de samenhang tussen vakken geven de studenten gemiddeld een 7 of net daarboven; maar de oude doctoraalopleiding scoort hier hoger. Hun 'meerwaarde' maken de masteropleidingen dus nog niet waar.

Er is kritiek op de loopbaanvoorbereiding (6,6). Maar het meest kritisch zijn de studenten over de communicatie vanuit de opleiding (6,4). Er is onduidelijkheid over de regels van de opleiding, over roosters, tentamenuitslagen komen vaak laat. Die klachten waren bekend van de bachelorfase, maar je zou denken dat in de minder massale masterfase deze problemen wel loslopen. Opvallend is dat de onderzochte masteropleidingen vrijwel dezelfde sterke en zwakke punten hebben als de bacheloropleiding waarop ze aansluiten. Het is alsof we nog steeds over de oude doctoraalopleidingen spreken. Er is dus minder nieuws onder de zon dan alle campagnes doen geloven.

Straks kan een wo-student na drie jaar stoppen en als bachelor een baan zoeken. Soms worden universiteitsbestuurders daar nerveus van: loopt iedereen voor het toetje weg? Maar het zal best meevallen. Zeker nu de overheid de opleiding nog grotendeels betaalt, gaat iedereen voor de hoofdprijs – de mastertitel. Ook als het onderwijs niet hemelbestormend is.

Wel stuit je op andere vragen. Bijvoorbeeld over de keuzemogelijkheden. Zodra je buiten je eigen instelling kijkt, wordt het al gauw een doolhof. Vergelijkbare opleidingen hebben overal een andere naam. Ook stelt men soms extra toelatingseisen aan bachelors van andere universiteiten. Termen als 'onderzoeksmaster', topmaster (moet nog van de grond komen) en buitenlandse master roepen weer nieuwe vragen op.

Rond elk van die termen moeten de Nederlandse universiteiten de komende tijd aan stevige concurrentie wennen. Wetenschappelijk is hun basis sterk genoeg om 'toponderwijs' te bieden. Maar of ze dat ook gaan realiseren en met succes kunnen uitventen, is nog niet zeker. Voor de instellingen valt te hopen dat de beste studenten straks niet het vliegtuig naar Zurich, Toulouse of Oxford nemen. De afgestudeerde bachelor heeft een ander belang. Die ziet zijn keuzemogelijkheden toenemen. En dat is het winstpunt van het BaMa-stelsel.