Krooneend

Herfstig weer, ruisend riet. Een zwarte golf van duizenden watervogels ligt in de luwte van de Gouwzee, een baai in het Markermeer bij Monnickendam. Het zijn krooneenden, bij talloze pleisteren deze duikeenden in de Nederlandse Randmeren en op de Vinkeveense Plassen. In 1942 werd een eerste broedgeval in Botshol ontdekt. Het mannetje heeft een vermiljoenrode, wat puntige snavel en een vosrode kop, zwarte borst en witte flanken. De vogel drijft hoog op het water, waaraan hij in combinatie met de stralend-gekroonde kop goed is te herkennen. Deze duikeend heeft een bloeiende onderwatervegetatie nodig van waterpest, fonteinkruid en kranswieren. Het vrouwtje is grijsbruin, ook met witte flanken. In het begin van de jaren veertig weken de krooneenden uit naar het westen, gedwongen door de verdroging van de Aziatische en Zuid-Russische steppenmeren. Ondanks de grote aantallen herfst- en wintergasten is de krooneend in Nederland een betrekkelijk zeldzame broedvogel. In de vlucht valt de brede band over de vleugels op. Ze zijn tamelijk zwijgzaam, je hoort niet meer dan een ijl en wat verwaaid `kurr-kurr'. Als het eenmaal donker is geworden, hebben ze zich verschanst in de dichte rietkragen. Het is een vreemd gezicht: opeens zijn ze met zijn allen verdwenen en is het water langs de dijk naar Marken leeg. Geen Netta rufina meer te ontdekken.

Illustratie:

Rein Stuurman (Zien is kennen!) freriks@nrc.nl