Goed en grondig onderzoek naar Hells Angels is moeilijk 1

Onlangs is discussie ontstaan over de vraag of en zo ja hoe de club Hells Angels verboden moet worden. Bij dit laatste denkt men meestal ten onrechte aan een strafrechtelijke aanpak, waarbij óf de vereniging bestraft wordt terzake van een gepleegd misdrijf óf waarbij enkele leden hetzelfde lot ondergaan wegens het misdrijf van deelneming aan een criminele organisatie. Een bezwaar tegen deze aanpak is dat de vereniging in zoverre ongemoeid blijft dat zij haar activiteiten ongestoord kan voortzetten. Zo is het bijvoorbeeld in 1995 gegaan met de politieke partij CP86.

Effectiever is de civielrechtelijke aanpak, waarbij het OM de burgerlijke rechter verzoekt een vereniging/rechtspersoon verboden te verklaren en te ontbinden wegens een werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het begrip `openbare orde' heeft hier een ruime strekking. De aanpak is dáárom zo effectief omdat de strafwet vervolgens bepaalt dat elke deelneming aan de voortzetting van de verboden organisatie al dan niet voorzien van een andere naam strafbaar is. Let wel, élke deelneming. Dit strekt zich uit van de voorzitter via de drukwerkverzorger of andere dienstverleners tot en met de koffiemevrouw. Meestal komt het niet zo ver, zoals geïllustreerd wordt door het bovengenoemde geval van CP86, waar ná de weinig effect sorterende strafrechtelijke aanpak in 1995 een geslaagde vordering bij de burgerlijke rechter in 1998 wél het gewenste resultaat opleverde: van de toen verboden verklaarde CP86 is sedertdien nooit meer iets gehoord. Ook `ondergronds' niet. Soortgelijke verboden in het verleden laten overigens hetzelfde beeld zien.