Gesjeesd na de scheiding

Jonge pubers die opgroeien bij een ruziemakend stel dat gaat scheiden studeren gemiddeld 2,5 jaar korter dan kinderen van gelukkig getrouwde ouders.

IN ELKE KLAS zit wel een handjevol kinderen van gescheiden ouders. Wat doet dat met hen? Hoe beïnvloedt een echtscheiding hun levensloop en in het bijzonder hun schoolloopbaan? Sociologe Tamar Fischer heeft geprobeerd deze vraag te beantwoorden aan de hand van twee grote databestanden (de Familie-enquêtes Nederlandse Bevolking 1998 en 2000 en de survey Scheiding in Nederland 1998). Op 10 september promoveerde zij aan de Radboud Universiteit in Nijmegen op haar onderzoek `Parental divorce, conflict and resources'.

Al lezende vallen de kille cijfers en jargontaal op. ``Ik heb het nogal `technisch' opgeschreven'', geeft Fischer toe. Het feit dat zijzelf kind is van gescheiden ouders – en daarom afstand zou willen scheppen – heeft er niets mee te maken, zegt ze. ``Dat is nu eenmaal mijn stijl.''

Fischer is werkzaam bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) in Den Haag, waar zij onderzoekt in welke mate de omstandigheden in een land van invloed zijn op de echtscheidingskansen. Daarvoor brengt ze de wetgeving, de economische toestand en culturele kenmerken van de bevolking van ruim twintig Europese landen in kaart. ``Het feit dat ik hier met concreet meetbare zaken te maken heb, in plaats van met mensen en gevoelens, maakt dit onderzoek in een bepaald opzicht eenvoudiger dan mijn promotieonderzoek'', vertelt Fischer in een vergaderzaaltje in het statige kantoorpand van het NIDI. ``Uit de databestanden die ik daarvoor gebruikt heb kun je algemene conclusies trekken, maar daarmee kun je weinig zeggen over de uitkomsten van een individueel kind, want daarvoor is nog zoveel meer van belang, zoals zijn of haar talenten. Dat is het lastige van sociologie: menselijk gedrag proberen in cijfers te vangen. Maar dat is geen reden om het niet te doen, want het is de enige manier om een algemeen geldend beeld te krijgen van wat een echtscheiding betekent voor deze groep kinderen.''

Als eerste heeft Fischer de databestanden uiteengerafeld in `vergelijkbare' groepen kinderen. Zo vergeleek ze de schoolcarrière van kinderen uit intacte gezinnen met veel ruzie met die van kinderen uit gebroken gezinnen met veel ruzie. Ze vond dat de kinderen uit gebroken gezinnen gemiddeld een half jaar korter studeren. Kinderen die een scheiding meemaken in hun vroege puberjaren (11 tot 14 jaar) studeren gemiddeld zelfs bijna een jaar minder.

Hoe zich dat concreet vertaalt (of de kinderen een lagere – want kortere – opleiding doen, of zonder diploma van school gaan) kan Fischer niet zeggen. ``Ik heb in het ene databestand moeten werken met het hoogst behaalde diploma en in het andere bestand met het hoogst bereikte schoolniveau, waarbij niet zeker is of ze dat diploma behaald hebben.'' Wat ook ontbreekt zijn gegevens over zittenblijven, terwijl die wel bepalend zijn voor de interpretatie van de conclusies. ``Wat dat betreft was het geen ideaal onderzoeksmateriaal'', beaamt Fischer. Maar volgens haar is dat inherent aan kwantitatief sociologisch onderzoek. ``De grote databestanden die nodig zijn voor dit soort onderzoek worden nooit door individuele onderzoekers verzameld, maar dienen altijd meer onderzoeksprojecten tegelijk. Omdat dataverzameling een kostbare zaak is en veel vraagt van de respondenten moeten er altijd afwegingen worden gemaakt.''

De makke van de opzet van het onderzoek van Fischer is dat het geen beeld geeft van de verschillen tussen kinderen die opgroeien in een harmonieus gezin en kinderen die opgroeien in een gezin met veel conflicten dat eindigt in een echtscheiding. Als `Jip' en `Janneke' allebei met dezelfde capaciteiten ter wereld komen, maar Jip groeit op bij een gelukkig getrouwde papa en mama en Janneke bij een ruziemakend stel dat gaat scheiden, wat betekent dat dan voor hun kansen in het leven? Dat heeft Fischer niet in beeld gebracht. Na wat gezoek in de kolommen cijfers durft ze wel te concluderen dat voor de 11 tot 14-jarigen het verschil bijna tweeënhalf jaar is. Janneke studeert gemiddeld 2,5 jaar korter dan Jip. Ook uit een andere analyse van de data blijkt dat: acht van de tien kinderen eindigt een schoolniveau lager dan je op grond van hun capaciteiten zou verwachten. En dan blijkt ineens wat een enorm effect een echtscheiding kan hebben.

De verklaring hiervoor is tweeledig. Als eerste het verlies aan `hulpbronnen'. ``Dat zijn zaken die je helpen verder te komen in het leven: opleiding, geld, een netwerk'', legt Fischer uit. ``Het slechtst af zijn de kinderen van een hoogopgeleide, goedbetaalde vader, die achter blijven bij hun minder geschoolde moeder met een bijstandsuitkering. Kinderen van hoogopgeleide moeders met een goede baan blijken geen nadelig effect te ondervinden van een echtscheiding.''

De tweede verklaring is minder concreet meetbaar: ruzies, tussen ouders onderling en met hun omgeving. ``Conflicten hebben een zeer negatief effect op kinderen, misschien nog wel meer dan de echtscheiding zelf'', zegt Fischer. ``Dat weten we ook uit andere studies. Kinderen tot 12 jaar uit intacte gezinnen met veel ruzies vertonen net zo veel probleemgedrag (spijbelen, diefstal, vandalisme) als kinderen van gescheiden ouders met veel ruzies.''

Volgens Fischer geeft dat een voorzichtige aanwijzing dat ouders die veel ruzie maken wellicht beter kunnen gaan scheiden. Dat klinkt vreemd, omdat Fischer immers stelt dat een echtscheiding een negatief effect heeft op de schoolprestaties van een kind. Een vergelijking van schoolprestaties van een kind uit een intact gezin met veel ruzies versus die van een kind uit een gebroken gezin zonder ruzies ontbreekt.

Fischer: ``Op dit vlak kun je geen harde conclusies trekken. Bij veel gezinnen duren de ruzies na de scheiding gewoon voort. Dan schiet je er niks mee op. Maar als de ruzies stoppen kan het beter zijn te scheiden. Het is lastig. Zwart-wit bestaat hier niet. Noem het maar een intuïtieve conclusie.''