Discriminatie niet meer van deze tijd

Met de invoer van de bama-structuur voor het hele hoger onderwijs zijn hbo en wo in zekere zin 'gelijkgeschakeld'. Maar de docent die op beide onderwijstypen lesgeeft, ervaart dagelijks de verschillen.

In 1976 volgde ik het hoorcollege inleiding burgerlijk recht. Ik zat niet op de voorste rij om de aandacht van de professor te trekken; ook zat ik niet op de achterste rij om daar de krant te lezen. Ik was dus een gewone doorsnee student die probeerde aantekeningen te maken waar je ook achteraf nog wat aan had. Voor mijn gevoel was de professor uren bezig om uit te leggen dat hij met zijn Amsterdamse collega van mening verschilde. Ik kende die Amsterdamse collega niet eens zodat er veel langs mij heen moet zijn gegaan. Wel had ik de indruk dat het hierom een kritische reflectie van het recht moet zijn gegaan: echte wetenschap dus!

Later begreep ik dat iedere hoogleraar nu eenmaal zijn eigen stokpaardjes moest hebben. Ook kreeg ik de indruk dat de (hoofd)medewerkers, medewerkers en wetenschappelijke assistenten geselecteerd werden op hun volgzaamheid. Ik hoorde ze op de werkgroep nooit andere stokpaardjes berijden dan die van de hoogleraar. Van een schoolvriend, tevens rechtenstudent uit Amsterdam, kreeg ik te horen dat ik een typisch product was van de 'Utrechtse school'; dat klonk niet echt als een compliment.

Er is veel veranderd in de loop der jaren in het universitaire onderwijs. Er staan niet langer alleen medewerkers in de collegezaal of de werkgroep die ten minste zes jaar ervaring in de rechtspraktijk heeft. Jongere docenten zonder ervaring met de rechtspraktijk staan nu voor de werkgroepen. De betekent een verschraling van het onderwijs. Ik geef (parttime) juridisch onderwijs aan de sociale faculteit van de VU en merk dat nu het bezoek aan de rechtszaal voor de studenten het hoogtepunt van de collegecyclus is.

In november 2003 kreeg ik voor het eerst het hoger beroepsonderwijs van binnen te zien. Ik gaf mijn eerste hoorcollege aan de Haagse Hogeschool aan een rechtenopleiding die toen enkele maanden oud was. Aangezien ik gepromoveerd was op Antilliaans bestuursrecht, werd dat een hoorcollege over bestuursrecht. De bestuursrechtelijke literatuur was dezelfde als op de faculteit waar ik vandaan kwam; ook hetzelfde was dat de voor de Algemene wet bestuursrecht benodigde puzzelarij gewoon niet aansloot bij het Nederlands zoals dat op de middelbare school wordt gegeven. Gelukkig hanteerde de opleiding instaptoetsen taalvaardigheid.

Ik kreeg naast het imposante gebouw de nodige indrukken te verwerken: de mondige studenten die onmiddellijk de docent testen op zijn aanspreekbaarheid – bijvoorbeeld even een vrijstelling regelen tijdens hoorcollege – en de platte organisatie waarbinnen voor een hiërarchie naar universitair model geen plaats leek. Gelukkig waren er collega's om mij binnen te leiden in deze nieuwe wereld. Binnen de docentenvergadering werd gesproken over de inrichting van de opleiding, taakverdelingen en de resultaten van de enquêtes: medezeggenschap als levensnoodzaak voor een gloednieuwe opleiding.

De Rechtenopleiding aan de Haagse Hogeschool is een beroepsopleiding die gericht is op de beroepspraktijk. De eerste twee jaar zitten de studenten nog binnen de muren van de opleiding, maar vanaf het derde jaar zitten ze al vier dagen op een heuse werkplek. Vanaf het begin van de opleiding krijgen ze daarom niet alleen de gebruikelijke juridische literatuur onder ogen, maar moeten ze ook met medestudenten op zoek naar de antwoorden voor practicumopdrachten. Het gaat dan niet alleen om het antwoord op de opdracht, maar ook om de weg ernaar toe. De student moet leren zijn afspraken jegens andere studenten na te komen, effectief te vergaderen, etcetera. De practicumgroep vormt zodoende echt een voorbereiding op wat je op de werkplek te wachten staat.

Docenten worden breed ingezet binnen de opleiding. Het ene moment sta je als docent voor een grote groep; het andere moment ben je tutor van een groepje van 12 studenten en zit je met ze aan een van de tafels die er overal in het gebouw staan voor dergelijke groepen. Dat geeft een atmosfeer waarbinnen de ene student net wel durft te tutoyeren en de andere nog net niet. Als een student je op de gang aanhoudt met de opmerking 'meneer, ik vond vraag 9 van het tentamen best heel moeilijk', dan neem je daar gewoon even tijd voor.

De Haagse opleiding is geen universitaire rechtenopleidjng in speelgoedformaat; studenten ervaren het dan ook als een pittige studie. Geen pretpakket dus, maar een investering in de toekomst. Studenten moeten, als zij gekwalificeerd blijken, alle loopbaanmogelijkheden kunnen krijgen binnen het juridische beroep. Als een uit Den Haag afkomstige student zijn stagiair-examen als advocaat kan halen, moet hij advocaat kunnen worden. Discriminatie tussen 'wetenschappelijke' juristen die wel advocaat of rechter kunnen worden (zogenoemde togaberoepen) en beroepsjuristen die dat niet zouden kunnen, is niet meer van deze tijd.