Deventer

Toen ik nog klein was zei ik altijd tegen mijn ouders dat ik op het randje wilde wonen tussen de natuur en de grote stad. 'Dat zou iedereen wel willen', zeiden mijn ouders dan op een toon die ze altijd gebruikten als ik weer eens een onvervulbare wens had geuit. Ik dacht dus dat een woonplek met koeien, bomen en groene vergezichten niet te combineren was met een woonplaats vol bioscopen, gekke mensen en grote gebouwen. Dat het net zo'n van de pot gerukte wens was als bijvoorbeeld mijn wens om een klein veliciraptortje als huisdier te nemen.

Het blijkt dus wel te kunnen in Deventer. Op het moment dat ze in de trein omroepen dat we station Deventer naderen, zie ik buiten alleen nog maar gras met koeien. Een minuut later in de stad aangekomen besluit ik naar de koeien op zoek te gaan. Ik heb nog nooit een koe in een stad gezien. Wel een keer een olifant, maar die was door McDonald's ingehuurd als promotiestunt en dat was eigenlijk best zielig. Ik loop een willekeurige kant uit en beland eerst in het centrum. Ik zie alle dingen die een stad nodig heeft om zichzelf een volwaardige stad te noemen. Blokkers, terrasjes, allochtonen, schreeuwerige kledingwinkels en graffiti. Maar een koe kan ik nog niet vinden. Wel veel mensen die me erg aan koeien doen denken, maar die heb je in elke stad. En ook in elk dorp eigenlijk. Na een halfuurtje zwerven kom ik bij de IJssel aan. Die ligt direct naast het centrum. En achter de IJssel zie ik waar ik naar op zoek ben. Een groen walhalla. Voor het prehistorische bedrag van 75 eurocent neem ik een pontje naar de overkant. En je bent inderdaad meteen in de natuur. Een prachtig bos. Stukjes strand waar jongeren halfnaakt aan het zwemmen zijn. Uitgestrekte groene weilanden. Het kan dus echt in Deventer. De koeien heb ik alleen niet meer kunnen vinden.