Democratie moet je leren - wanneer beginnen we?

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles maar kan roepen, of overal op mag kladderen. Maar hoe je je hebt te gedragen in een democratie, weet niet iedereen. Kinderen moeten van hun ouders en op school leren wat democratisch gedrag inhoudt. En dat is te belangrijk om over te laten aan de vrijheid van onderwijs.

De jeugdproblematiek baart ons op het ogenblik veel zorgen: antisemitisme, discriminatie van homoseksuelen, provocerende, ostentatieve religieuze uitingen, gewelddadigheid etc. kunnen terecht op weinig compassie rekenen. Nu eens worden zulke uitingen geduid als puberale provocaties van jongeren op zoek naar een eigen identiteit, dan weer als zeer serieus te nemen uitingen van fundamentalisme, beschavingsachterstand of soms zelfs een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Er is ook een andere uitleg mogelijk. We zouden wellicht moeten spreken van een democratisch tekort. Het proces waarbij kinderen gevormd worden tot democratisch burgerschap lijkt ergens onderweg te zijn gestrand. Leerlingen die tijdens geschiedenislessen over de Tweede Wereldoorlog zeer agressieve taal over joden uitslaan en daarop natuurlijk worden aangesproken, beginnen vaak onmiddellijk te schreeuwen dat ze toch zeker vrijheid van meningsuiting hebben. De reflex is dan om publiekelijk schande te spreken over hun normen en waarden. Maar in plaats daarvan zouden we ons moeten afvragen waar en van wie die leerlingen eigenlijk hadden kunnen leren wat vrijheid van meningsuiting nu ècht betekent. Het is immers een zeer complex begrip dat niet vanzelf door iedereen begrepen wordt.

Dat een vrijheidsrecht kan worden beperkt door de vrijheidsrechten van anderen vereist nogal wat uitleg, discussie en oefening. Zulke vragen kan men zich bijvoorbeeld ook stellen over voetbalvandalen. Natuurlijk moet er paal en perk worden gesteld aan hun gedrag. Maar misschien zouden we ons ook eens moeten afvragen waar, en van wie hooligans eigenlijk ooit hadden moeten leren dat hun gedrag slechts mogelijk is bij de gratie van een vrije samenleving; en sterker nog, dat de manier waarop ze zich gedragen nu juist die vrijheid dreigt te beperken? Waarschijnlijk gaat het als zo vaak, namelijk dat iedereen denkt dat dit soort dingen tot de opvoedingstaken van iemand anders behoort.

In ons onderwijssysteem is nauwelijks nagedacht over de vraag hoe je kinderen van jongs af aan de kennis, houding en vaardigheden kunt bijbrengen die ze nodig hebben om als democratisch burger aan de samenleving te kunnen meedoen. Natuurlijk: de ene school doet iets aan conflicthantering, de andere aan sociale vaardigheden, en weer een andere heeft een project over de Europese verkiezingen. Maar de keuze ligt volledig bij de school, en als het aan de Onderwijsraad ligt zal dat voorlopig ook wel zo blijven. Weliswaar adviseerde die Raad onlangs aan de regering dat in de wet moet komen te staan dat het onderwijs mede gericht is op de bevordering van burgerschap. Maar aan de vraag hoe en in welke mate dat dient te gebeuren wil de Raad zijn vingers niet branden. De vrijheid van onderwijs zou dan in gevaar kunnen komen. Dat lijkt mij een onzinnige argumentatie. Juist de vrijheid van onderwijs is een wezenskenmerk van de democratie, dus zonder die democratie zou er van onderwijsvrijheid geen sprake zijn. Ook de streng gereformeerde school in mijn dorp kan zijn streng gereformeerde burgerschapsopvattingen en levensovertuigingen aan leerlingen pogen over te dragen onder de beschermende paraplu van een democratische samenleving. Het behouden van deze vrijheid, hetgeen impliceert dat men ook anderen daartoe het recht gunt, vereist dus de reproductie van het systeem dat deze vrijheid mogelijk maakt. Het enige alternatief is immers dat men het eigen gelijk monopoliseert, en dit met geweld aan anderen poogt op te leggen.

Voor de toekomst van de democratische rechtsstaat en de `democratic way of life' is het dus nodig om kinderen via het onderwijs de benodigde kennis, attituden en vaardigheden bij te brengen. Dat is een zeer harde eis die aan alle scholen in Nederland, openbaar en bijzonder, gesteld moeten worden. Islamitische, gereformeerde, katholieke of joodse scholen hebben het recht om kinderen van een absolute waarheid te willen overtuigen. Maar zij dienen alle te voldoen aan de eisen die het sociaal-politieke systeem stelt dat hun bestaan mogelijk maakt. Van een democratische rechtsstaat kan immers niet worden verlangd dat zij onderwijsinstellingen financiert en ondersteunt die haar grondbeginselen ondergraven. Omdat de basisprincipes van de democratie uit het oogpunt van algemeen belang te zwaarwegend zijn om ze aan de vrijheid van onderwijs over te laten, moeten wat mij betreft scholen die, ook na herhaaldelijke aanwijzingen van de Onderwijsinspectie, niet voldoen aan de eis van onderwijs in de democratie, onder curatele van die inspectie worden geplaatst.

Opvoeding en onderwijs zijn steeds meer geïndividualiseerd. Onderwijs heet tegenwoordig al gauw vraaggericht of zorg op maat, en opvoeding richt zich op de vorming van een eigen identiteit en een stabiele persoonlijkheid. We zien het kind niet zozeer meer als middel tot een hoger doel, maar als mens, en dat is natuurlijk een enorme verworvenheid. Merkwaardig is wel dat we zelden iets horen over `het algemene belang' als het om pedagogische kwesties gaat, geen maatschappij ter wereld kan immers goed functioneren als zij louter zou bestaan uit burgers die zich slechts individueel hebben ontplooid. Burgers moeten op zijn minst óók willen proberen om het met elkaar eens te worden over omgangsvormen in het persoonlijke, sociale en maatschappelijke leven, over rechtvaardigheid, solidariteit en handhaving van normen.

Dat sociale engagement ontstaat niet vanzelf. Integendeel, het kan evengoed worden ontmoedigd. Sociale betrokkenheid en verantwoordelijkheid moeten geleerd worden. Daarom is met het grootbrengen van nieuwe generaties ook direct een algemeen belang gemoeid, een belang dat we al individualiserend en emanciperend dreigen te vergeten.

De meeste burgers prefereren democratie boven dictatuur. Democratie vormt dus een grootste gemene deler van belangen. Daarbij gaat het niet slechts om de formele, staatsrechtelijke aspecten van de democratie, zoals die bijvoorbeeld zijn neergelegd in de grondwet. Kenmerkend voor de democratie is vooral ook een sociale ethiek. Zo'n democratische manier van samenleven veronderstelt bijvoorbeeld dat burgers bereid zijn conflicten op te lossen via dialoog en onderhandeling; desnoods door tussenkomst van de rechter, maar in ieder geval niet door het toepassen van geweld.

Sterker nog, het is de essentie van democratie dat ernaar gestreefd wordt conflicten tussen individuen en/of groepen op een humane, geordende en vreedzame manier op te lossen. Verder gaat het in een democratische ethiek natuurlijk ook over gelijkheid en gelijkwaardigheid, sociale verantwoordelijkheid, rechten en plichten, over het verbod op discriminatie op grond van geloof, afkomst of geaardheid, rechten van minderheden et cetera.

De leidende gedachte is dat een democratische rechtsstaat de enige samenlevingsvorm is die pluriformiteit (bijvoorbeeld van religieuze, culturele en politieke overtuigingen) op een geordende en vreedzame manier mogelijk maakt. Tegelijkertijd is diezelfde democratie als politiek systeem èn als samenlevingsvorm zeer kwetsbaar: ze wordt altijd bedreigd door egoïsme, desinteresse, veronderstelde vanzelfsprekendheid en gerichte aanvallen van degenen die er op uit zijn het eigen totalitaire waardenstelsel dwingend aan eenieder op te leggen.

De afwezigheid van het algemeen belang als oriëntatie voor opvoeding en onderwijs in deze tijd vind ik zorgwekkend. De socialisatie van kinderen en jongeren is van groot belang voor de toekomst van de democratische rechtsstaat. Er zijn allerlei signalen die erop duiden dat de democratische gezindheid haar vanzelfsprekendheid makkelijk (verder) zou kunnen verliezen. Toenemend accent op het eigenbelang, calculerend burgerschap, migratie vanuit landen met minder democratische regimes en cultuur, gebrek aan identificatie met de algemene samenleving, oprukkend fundamentalisme en politieke desinteresse spelen daar allemaal een rol in.

In tegenstelling tot de dictatuur kan een democratische samenleving haar grondprincipes niet per decreet afdwingen. Overtuiging is de enige remedie. En daarom zou het vanzelfsprekend behoren te zijn dat opvoeding en onderwijs óók gericht zijn op de vorming van democratische persoonlijkheden voor wie, het zoeken van de balans tussen individuele en sociale behoeften een tweede natuur is.

De harde werkelijkheid van vandaag is dat veel mensen nauwelijks hebben geleerd wat democratie eigenlijk precies betekent. Om die samenlevingsvorm (in al zijn diversiteit overigens) te kunnen waarderen, moet je op zijn minst weten waarvoor zij een alternatief vormt. Wie zich niet realiseert dat een dergelijk systeem in de geschiedenis meestal zwaar is bevochten, zal zich er ook moeilijk mee kunnen vereenzelvigen. Laat staan dat men het te vuur en te zwaard zal willen verdedigen.

Er is alle reden om kritisch naar het draagvlak van de democratie te kijken. De aanhoudend afnemende opkomst bij verkiezingen wordt veelal gezien als een signaal dat de vitaliteit van de democratie afbrokkelt. In allerlei westerse landen constateren onderzoekers dat het democratisch animo onder jongeren niet erg hoog is. Uit een vergelijkend onderzoek in 24 landen bleek dat `civic education' vrijwel overal een lage status en prioriteit heeft, en dat de interesse van leerlingen in het onderwerp niet erg groot is. Eén van de conclusies over de situatie in Nederland is dat veel leerlingen in het Voortgezet Onderwijs niet voldoen aan de criteria van `good enough democratic citizenship': dat wil zeggen, dat ze de democratie ondersteunen, goed geïnformeerd zijn over de politiek, een politieke voorkeur hebben en dat ze bereid zijn om te gaan stemmen.

Gebrek aan kennis over en betrokkenheid bij de democratie maakt die democratie uiterst kwetsbaar. Als teveel burgers ongeïnteresseerd zijn, dan houden ook de democratische structuren en regels uiteindelijk geen stand, zegt de Amerikaanse politicologe Meira Levinson. In dat geval kan de sociaal-politieke orde zich heel snel in een onvrije richting ontwikkelen, waarbij een kleine, fanatieke minderheid de dienst kan gaan uitmaken. Het beste middel tegen onderbenutting en veronachtzaming is ervoor te zorgen dat het aantal burgers dat de democratie serieus neemt en voor wie actieve betrokkenheid een gewoonte is, groeit. Opvoeding en onderwijs behoren daarin een belangrijke rol te spelen, bijvoorbeeld door het cultiveren van de `wil' om op democratische manier met elkaar samen te leven.

Democratie-opvoeding is niet alleen een taak van de school. Uit onderzoek blijkt dat een zogenaamde autoritaire gezinsopvoeding kinderen het beste voorbereidt op het leven in een open, democratische samenleving. Die term wijst op een opvoedingsstijl die eerder wordt gekenmerkt door gezag dan door macht. Ouders zijn zorgzaam maar stellen ook duidelijke grenzen, geven veel uitleg, bevorderen de ontwikkeling van eigen verantwoordelijkheid, vertonen duidelijk moreel voorbeeldgedrag en handelen volgens een open, democratische leiderschapsstijl.

Het gezin is op deze manier de eerste leerschool voor sociale participatie en een democratische moraal. Daarom behoort dit type opvoeding een centraal onderdeel te vormen van gerichte ouderschapseducatie, opvoedingsvoorlichting, mediacampagnes, programma's voor inburgering etc.

Natuurlijk kiezen ouders in de eerste plaats zèlf voor een stijl van opvoeden. Maar juist omdat wetenschappelijk onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat autoritatieve opvoeding kinderen optimale vooruitzichten biedt, èn omdat het algemeen belang ermee is gediend, hoeft er wat mij betreft niet geaarzeld te worden om zulke kennis dringend onder de aandacht van ouders te brengen. Het consultatiebureau kan hier een uitermate belangrijke rol spelen.

Tot slot. De democratie wordt op twee manieren bedreigd: door een toenemende fixatie op eigenbelang en een daarmee gepaard gaande desinteresse voor de publieke zaak; en door de groei van anti-democratische sentimenten die soms vergezeld gaan van doelbewuste ondergraving van de rechtsstaat. Uiteraard is de eerste verdedigingslinie tegen zulke gevaren een goed stelsel van wet- en regelgeving, plus de bereidheid om dat te handhaven. Maar daarvoor is draagvlak bij de burgers nodig, en dat is er niet vanzelfsprekend. Daarom moet een democratische samenleving via socialisatie aan bewuste reproductie en vernieuwing doen. Het is tijd voor een democratisch-pedagogisch offensief waarin zowel het gezin als het onderwijs een belangrijke taak heeft.

De collectieve afkeer van de gewelddadige dictatuur uit de Tweede Wereldoorlog leverde lange tijd waarschijnlijk als vanzelf voldoende draagvlak voor de democratie op. Maar nu deze ervaringen geleidelijk uit het collectieve geheugen aan het verdwijnen zijn, moet het fundament onder de democratische rechtsstaat worden vernieuwd en verstevigd. Individuele vrijheden kunnen alleen worden bevochten via collectieve inspanningen van burgers. Daarom impliceert een democratisch-pedagogisch offensief geen staatsopvoeding, maar een bewuste gemeenschappelijke inspanning van burgers, organisaties en overheid, ofwel: de Civil Society. Die inspanning kan niet eenmalig zijn: socialisatie is een longitudinaal proces dat vanuit verschillende domeinen, privaat en publiek, moet worden gevoed en onderhouden.

Micha de Winter bekleedt de Langeveld-leerstoel op het terrein van de Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht, en is lid van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling.

Rectificatie / Gerectificeerd

Democratie

In het artikel Democratie moet je leren (9 oktober, pagina 17) staat dat een autoritaire gezinsopvoeding kinderen het beste voorbereidt op het leven in een open, democratische vormgeving. Bedoeld wordt een autoritatieve opvoeding, een opvoedingsstijl die eerder wordt gekenmerkt door gezag dan door macht.