De mythe van de paarse heide

De eindeloze paarse heide van Drenthe is niet zo oud als lang is gedacht. Volgens historisch-geograaf Theo Spek valt het ontstaan van heidevelden samen met overexploitatie en uitputting van zandgronden, ook elders in Europa.

WIE IETS WIL begrijpen van de geschiedenis van het Drentse landschap grijpt al gauw naar een oude atlas, uit 1900 bijvoorbeeld. Op de kaarten liggen dorpen als een spin in een web van akkers, de essen. Rondom de essen kleuren de pagina's roze. Dit is de heide. Dorpen bestaan uit een handvol boerderijen, verspreid rond een driehoekig pleintje, de brink, waar de schapen verzameld werden. De eindeloze heidevelden worden slechts doorkruist door beekdalen, met daarlangs de verkavelde graslanden waar de koeien graasden.

Zo zag Drenthe er honderd jaar geleden uit en lang bestond het idee dat het duizend jaar geleden niet veel anders was. Ook wetenschappers dachten dat. Historisch-geograaf Theo Spek heeft aan hun illusies een einde gemaakt met een 1.100 pagina's tellend proefschrift, het dikste dat ooit aan de Universiteit van Wageningen is verschenen. ``Historisch-geografen hebben zich altijd gebaseerd op 19e-eeuwse landkaarten', zegt Spek op zijn werkkamer bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. ``De oudste kadasterkaarten dateren uit 1832 toen voor het eerst heel Nederland in kaart is gebracht. Geografen bekeken de patronen op de kaart en dachten: `dat is nu het oude landschap'. Er is niet voldoende gekeken naar de dynamiek die achter die kaarten verborgen zit.'

Het beeld uit de atlassen is in de vorige eeuw vertaald in een model dat de samenhang in het Drentse landschap verklaart. Volgens dit `Drentse Model' weidden de schapen op de heide en de runderen langs de beekdalen. 's Nachts stond het vee in potstallen waar de mest werd verzameld op heideplaggen die later werden verspreid over de akkers. De plaggenmest bracht Drenthe de scherp begrensde opgehoogde percelen die nog altijd in het landschap te onderscheiden zijn. De intensieve bemesting was nodig om op de akkers rogge te kunnen telen, een belangrijk voedselproduct voor Drenthe dat ver van de grote steden in het eigen onderhoud moest voorzien. ``Het is een logisch geheel', zegt Spek. ``Op de universiteit zeggen studenten: `dat is nu eens een landschap dat ik begrijp', maar er klopt weinig van. De elementen uit het model zijn op verschillende momenten in de geschiedenis ontstaan en dus niet in onderlinge samenhang.'

WINTERROGGE Met een scala aan dateringsmethoden kwam Spek erachter dat de eerste esdorpen met brinken ergens tussen 800 en 900 in Drenthe verschenen. De eerste schaapskudden dateren daarentegen van rond 1500, net als de oudste plaggenbodems die bewaard zijn gebleven. En pas sinds 1700 verbouwen de Drenten op hun essen permanent winterrogge. ``Over het middeleeuwse landschap vertelt het Drentse model ons eigenlijk niets', zegt Spek.

De historisch-geograaf heeft 14 jaar nodig gehad om het Drentse model onderuit te halen en alternatieven te zoeken die de landschapsontwikkeling sinds de prehistorie beschrijven. Hij werkte samen met archeologen, mediëvisten, naamkundigen, paleobotanici en bodemkundigen. Spek: ``Zo ben ik erin geslaagd om hiaten in de ontwikkeling van het landschap op te vullen. Archeologen hebben een grotere onderzoekstraditie dan historisch-geografen. Zij hebben de prehistorie onderzocht, en grote delen van de middeleeuwen, maar ergens tussen 1300 en 1400 houdt het op. Dan worden boerderijen niet meer ingegraven op palen die je terug vindt als grondsporen. Ze worden gebouwd op stenen die verdwijnen als ze later ergens anders voor worden gebruikt. Ik heb geprobeerd om het gat tussen 1400 en de 19e eeuw op te vullen.'

Een belangrijk hulpmiddel daarbij waren de plaggenbodems op de Drentse essen, volgens Spek een goudmijn voor elke onderzoeker, tenminste als je ze correct dateert. Lang bestond de vuistregel dat een millimeter plaggenbodem grofweg in een jaar gevormd werd (een meter stond dus voor 1000 jaar) en er zijn nog altijd wetenschappers die daaraan vasthouden. In Speks proefschrift passeren 15 dateringsmethoden van plaggenbodems de revue, bij het merendeel daarvan heeft hij ernstige twijfels.

Neem de methoden die gebaseerd zijn op C; een koolstofisotoop dat in de atmosfeer in vaste verhouding met C aanwezig is, maar in dood materiaal langzaam vervalt tot C. De verhouding tussen C en C zegt iets over het tijdstip waarop het materiaal dood ging. Spek: ``Je zoekt onderin het dek en vindt een zaadje of een stukje houtskool. Dat dateer je dan. Maar hoe is dat plaggendek ontstaan? De ouderdom van verschillende plantenresten in een laag humus kan sterk uiteen lopen. Sommige delen zijn slecht verteerbaar en zijn eeuwen later nog terug te vinden. Dat materiaal is hutsekluts verwerkt in de plaggenbodems. Als je dan de ouderdom gaat meten kom je over het algemeen uit op een overschatting. Volgens mijn onderzoek zijn de plaggenbodems geen duizend jaar oud, maar ongeveer de helft daarvan.'

Spek baseert zich vooral op dateringen van aardewerk: ``Die laten zonneklaar zien dat het plaggendek pas begon te groeien in de 16e eeuw. Dat is de ouderdom van het aardewerk dat we vinden in de onderste laag van Drentse plaggendekken.'

PLAGGENBEMESTING Met de jonge datering van de plaggenbodems valt een pijler weg onder het Drentse model. Dat veronderstelt immers dat intensieve plaggenlandbouw eeuwenlang nodig was op de arme zandgronden. In werkelijkheid konden de boeren lang toe met organische materialen (gemaaide heide, varens en dunne humusplaggen). Pas aan het begin van de 16e eeuw wordt de plaggenlandbouw veel intensiever. Behalve organische resten scheppen de plaggenstekers nu ook het bovenste gedeelte van de humushoudende zandlaag op. Uit het fosfaatgehalte van de plaggen valt af te lezen dat ook de bemesting toeneemt. ``Plaggen van bos- en heidestrooisel vergaan', zegt Spek. ``De plaggenlagen die we nu nog zien in het essenlandschap zijn gevormd vanaf het moment dat de plaggenbouwers zand gingen meescheppen. Dat soort materiaal vergaat niet.'

UITPUTTING Spek brengt de vorming van plaggenbodems in verband met intensieve landbouw en de uitputting van de grond. En die analyse is niet alleen van belang voor Drenthe. Spek: ``Waar het om gaat is dat boeren in verschillende gebieden in Nederland en Vlaanderen een oplossing zoeken voor de bevolkingsgroei. Dat probleem speelt veel eerder in een hogedrukpan als Vlaanderen waar in de 13e en 14e eeuw al 45 mensen per vierkante kilometer wonen. In Brabant, waar de bevolkingsdichtheid lager ligt dan in Vlaanderen, begon de intensieve plaggenlandbouw tussen 1350 en 1450. Vanaf dat moment blijven daar de plaggenbodems bewaard. In het nog dunnerbevolkte Drenthe duurt het dus allemaal nog langer.'

Spek ziet de intensieve landbouw langzaam naar het noorden verschuiven. Pas als de bevolkingsgroei in Amsterdam echt op gang komt, wordt ook Drenthe vanaf de 15e eeuw opgenomen in de markteconomie met de productie van schapenwol en slachtossen. Speks analyse bouwt voort op werk van de bekende landbouwhistoricus Jan Bieleman. ``Verschil is wel dat Bieleman alleen de periode 1600 tot 1900 heeft onderzocht', zegt hij. ``Als je een studie laat beginnen in de 17e eeuw, dan ben je geneigd om dat jaar als een primitief vertrekpunt te beschouwen. In Drenthe heb ik ontdekt dat de belangrijke veranderingen die het gevolg zijn van de bevolkingsgroei eigenlijk al vanaf de 15e eeuw op gang komen. De ontwikkeling van de schaapskuddes en de plaggenbemesting maakt deel uit van een middeleeuwse economie die van zelfvoorziening overschakelt op een breed marktgericht boerenbedrijf.'

NOORD-PORTUGAL Spek laat in zijn proefschrift zien dat de plaggenlandbouw op arme gronden in heel Europa is toegepast, in Noord-Portugal gebeurt dat zelfs nog steeds: ``Het is fascinerend om te zien dat de heideboeren in Noorwegen, Denemarken, Schotland, Galicië, Baskenland en Bretagne tot hetzelfde type oplossingen komen terwijl ze duizenden kilometers van elkaar wonen. Ze telen schapen voor de wolproductie, ze plaggen heidevelden en brengen die op hun huisakkers. In Noord-Portugal ligt op de heuvels een mix van heide en bremachtige planten. Je kunt daar nu nog zien hoe 60- tot 80-jarigen plaggen en strooisel verzamelen voor de stal. De jongere generatie doet het niet meer.'

Speks late datering van de intensieve plaggenlandbouw heeft een belangrijke consequentie voor liefhebbers van de Drentse hei: ook die is geen duizend jaar oud, maar ontstaat pas rond 1500 als gevolg van het intensief plaggensteken en de introductie van schaapskuddes. Het uitgemergelde paarse heidelandschap is een landschap van overexploitatie dat hoort bij een periode waarin boeren zich gedwongen zagen om de draagkracht van het milieu te overschrijden. Spek: ``Ik heb aanwijzingen dat de hei daarvoor veel groener was. Je zag er grassen, bloemen, bomen en struiken. Dat blijkt ook uit stuifmeelonderzoek.'

Ook het open akkerlandschap van 19e eeuwse kaarten is volgens Spek veel minder oud dan vaak wordt gedacht. ``Volgens handboeken in heel Europa vormden de essen (150 hectare was een doorsnee omvang) en andere akkercomplexen open landschappen. Perceeltjes waren alleen gescheiden door strookjes keien of gras. Mijn onderzoek laat zien dat er in de middeleeuwen eerder sprake was van een kamertjeslandschap. Er blijken zeer veel heiningen, heggen en houtwallen op de es te hebben gestaan.'

Spek vindt de belangrijkste aanwijzing voor een middeleeuws kamertjeslandschap in middeleeuwse toponiemen. Op kaarten uit 1642 die in Drenthe zijn opgesteld in de tijd van de invoering van de grondbelasting vond hij namen als want, blok, bun, rick en heeg. Het vertalen van de 17e eeuwse kaarten in bruikbare informatie was enorm arbeidsintensief, maar lonend. De middeleeuwse betekenis van de gevonden namen duidt volgens Spek in veel gevallen op een erfomheining. Spek: ``Dat het essenlandschap lang niet altijd een open landschap is geweest kwam als een schok voor veel collega's.'

NATUURBEHEER Het onderzoek van Spek is niet alleen van belang voor historici die de ontwikkeling van het landschap willen begrijpen. Hij hoopt dat natuur- en landschapsbeheerders er hun voordeel mee kunnen doen. Spek: ``In het natuurbeheer heb je eigenlijk twee grote richtingen. Lang was het de bedoeling om het 19e-eeuwse landschap te restaureren: een landschap van verschraling door extensieve veeteelt. Tegenwoordig is het streven naar nieuwe natuur: een landschap zonder invloed van de mens. Maar tussen de steentijd en de 19e eeuw liggen nog zo veel meer interessante landschappen. Misschien is het beroepsdeformatie, maar mijn ideaal is dat je, als je door het landschap loopt de geschiedenis ervan kunt terugzien.'

Spek stelt niet voor om Nederlands grootste heidegebied (bij Dwingeloo) vol te planten of te laten verruigen. ``Maar je hoeft ook niet overal zo panisch op zoek naar de paarse hei. Je kunt kiezen voor een groenere variant die in de middeleeuwen bestond. De prehistorie biedt ook een geweldig referentiebeeld voor natuurbeheerders. Hunebedden stonden in een open plek temidden van oerbossen van eiken- en lindebomen. In Polen en Denemarken heb ik prachtige lindebossen gezien. Linden gaan met hun wortels diep in de grond en halen voedingsstoffen van diep naar boven. Dat kan in dertig jaar tijd een gigantisch mooie flora opleveren.'

Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. 1200 blz.

Prijs: 89,95 euro. Uitgeverij Matrijs ISBN 90-5345-254-0