De derde man

Bij kemphanen zijn mannetjes veel groter dan vrouwtjes en in de broedtijd hebben mannetjes een veel kleurrijker verenkleed. Maar sommige kemphanen lijken op kemphennen, ontdekten Friese onderzoekers.

SOMMIGE mannetjes van de kemphaan (Philomagus pugnax) lijken zo sterk op vrouwtjes dat vogelkenners hen daar voor aanzagen. En ook de vogels zelf worden erdoor misleid. Onderzoekers Joop Jukema en Theunis Piersma hebben de verklede kemphaan nu ontmaskerd (Limosa 77-1, 2004).

Kemphanen zijn ongeveer twee keer zo groot en zwaar als kemphennen en dragen in de broedtijd een opzichtige verenkraag. Nu blijken er ook mannetjes te zijn die nauwelijks groter zijn dan vrouwtjes en eruit zien als hennetjes. Akkerbouwer Joop Jukema uit Zuidwest-Friesland (waar iedere lente duizenden kemphanen pleisteren op weg naar hun noordelijker gelegen broedgebieden) ving in 1981 een kemphaan met vleugels van 17,7 centimeter lengte. Daar keek hij van op: vrouwtjes met langere vleugels dan 17 centimeter waren niet eerder gezien, terwijl vleugels van haantjes tot dan toe minimaal 18 centimeter lang waren. Jukema vermoedde dat het een klein uitgevallen mannetje was, vreemd genoeg in vrouwelijk verenkleed zonder kraag.

DNA-analyse kon toen nog niet en Jukema sneed de vogel niet open om diens testikels bloot te leggen, dus het had ook een groot vrouwtje kunnen zijn. Maar de laatste jaren hebben Jukema en bioloog Theunis Piersma veertien tussenmaten gevangen en dat blijken (uit bijvoorbeeld sectie) altijd mannetjes te zijn, met even goed ontwikkelde testikels als hun grote, gekraagde medemannen. In gevangenschap gehouden tussenmaten bleken in de lente geen kraag op te zetten.

Kleine mannetjes zonder kraag worden wellicht voor vrouw aangezien en daardoor getolereerd door de dominante honkmannen. Dan kunnen ze ongemerkt hun slag slaan op seksueel gebied. Bij de onderzoekers vielen oude waarnemingen van twee parende kemphennen ineens op hun plaats. Onlangs nog hoorden ze van Zweedse collega's een verhaal over een geringde kemphen die afgelopen lente herhaaldelijk andere hennen dekte. Dat was waarschijnlijk zo'n op een hen lijkend haantje.

Toch heeft naar schatting nog niet 1 procent van de kemphaanmannetjes zo'n vrouwelijk voorkomen. De selectiedruk op grote, kleurrijke mannen is blijkbaar altijd sterk geweest, waardoor bijna alle kemphanen twee keer zo groot zijn geworden als kemphennen en een woeste kraag ontwikkelden. Zo'n groot verschil in omvang en verenkleed tussen de seksen is onder steltlopers uniek. Jukema en Piersma denken dat dankzij haantjes die de concurrentiestrijd niet aankonden een type man bleef voortbestaan dat op hennen bleef lijken. De vrouwelijk ogende hanen zouden dus een oorspronkelijker verenkleed dragen dan de gekraagde mannen die steeds verder van de oervorm zijn geëvolueerd. Daarom doopten de onderzoekers de vrouwelijke kemphaan tot faar, een oud Fries en in onbruik geraakt woord voor stamvader.

De selectiedruk op grote hanen is ongetwijfeld het gevolg van hun flamboyante baltsgedrag. De vogels doen hun naam eer aan in de arena's, iedere lente dezelfde plekken waar de mannen elkaar en de vrouwen imponeren met hun kleurrijke kragen en kale gezichten met fleurige wratjes. Na uren- of dagenlange gevechten kiezen de vrouwen een man uit, die hen mag bevruchten. Als zo'n honkman na een week knokken eindelijk een hennetje bereidwillig door haar poten ziet zakken, heeft hij geen oog meer voor toekijkende satellieten die dan stiekem een andere hen proberen te grijpen.

Naast honkman en satelliet hebben de onderzoekers nu de faar geïdentificeerd als het derde genetische type man. Dat de faar van die drie het dichtst bij de oorspronkelijke hanenvorm staat, wordt bevestigd door de rui-patronen. Kemphennen ruien twee keer per jaar, kemphanen drie keer. Tijdens die derde rui krijgen ze hun imponerende broedkleed. Faren ruien net als hennen slechts twee keer.

DNA-analyse moet hier meer licht op werpen. Ook willen Jukema en Piersma onderzoeken of faren net als hennen eieren uitbroeden. Bij sommige strandlopersoorten legt het vrouwtje namelijk twee broedsels. Het eerste laat ze over aan haar man, het tweede broedt ze zelf uit. Bij kemphanen beginnen honk- en satellietmannen daar niet aan, maar het zou kunnen dat dat ooit anders was en dat faren nog wel broeden. Met zo'n vrouwelijk verenkleed hebben die immers een puike schutkleur.