Dagboek van een schoolmeester

De Nijmeegse cultureel-antropoloog P. Meurkens koos een niet erg voor de hand liggende plaats voor de presentatie van zijn boek over de Kempische schoolmeester P.K. Panken. Meurkens, die al eerder de dagboeken van Panken op voorbeeldige wijze in zes delen bezorgde, hield precies honderd jaar na het overlijden van deze schoolmeester op diens gemetselde graf op het kerkhof van Bergeijk een aan hem gewijd boek ten doop. Bij ontstentenis van nazaten, werd het eerste exemplaar aan de hoofdpersoon zelf aangeboden. In lood verpakt, werd het aan de kop van het graf door de archeoloog Nico Arts ter aarde besteld.

Petrus Norbertus Panken (1819-1904) begon al op zestienjarige leeftijd met lesgeven. Hij deed ervaring op als stagiair op een vermaarde kostschool van een oom in Duizel. Kort daarna kreeg Panken de kans om in Westerhoven de wegens openbare dronkenschap en molestatie ontslagen onderwijzer op te volgen. Vanaf dat moment werd hij boekhouder van zijn eigen leven. Pankens dagboekaantekeningen bieden een kijkje achter de schermen van de 19e-eeuwse onderwijspraktijk.

Het was uit andere bronnen al bekend dat het schoolbezoek onregelmatig was: 's winters bezochten de kinderen massaal de school, maar in de zomer was het verzuim groot en in het najaar werden (in verband met de aardappeloogst) zelfs de kleintjes thuis gehouden.

Uit de analyse van Pankens geschriften komt Meurkens tot nog een belangwekkende conclusie: het alfabetisme was in de 19e eeuw nog groter dan tot dusver aangenomen. Het is een internationaal gangbaar criterium om mensen die in staat zijn de huwelijksakte te ondertekenen als `alfabeet' te beschouwen. Bestudering van tienduizenden huwelijksakten leverde het beeld op dat op het Brabantse platteland zo'n 20 procent van de jongens en 40 procent van de meisjes analfabeet waren.

Maar Schoolmeester hield van al zijn leerlingen hun vorderingen bij. Hij liet leerlingen die daartoe in staat waren een nieuwjaarsbrief schrijven voor familieleden. Een deel van de leerlingen uit de hoogste klassen kreeg dan een voorbeeldbrief die overgepend moest worden. Meurkens concludeert nu dat jongens en meisjes die hiertoe in staat waren als echte alfabeten beschouwd kunnen worden: 70 à 75 procent van de jongens en 30 à 35 procent van de meisjes.

Uit de notities valt af te leiden dat de hooggestemde onderwijsidealen, zoals die vanaf 1806 in een reeks van elkaar opvolgende schoolwetten werden vastgelegd, in de kleine dorpen op het platteland niet gerealiseerd konden worden. Zo werd in de Schoolwet van 1806 klassikaal onderwijs voorgeschreven. De leerlingen werden op grond van hun niveau over drie klassen verdeeld. De onderwijzer diende om de beurt aan deze klassen les te geven. Niet meer zittend achter een katheder, maar staande bij het schoolbord.

In de praktijk had Panken voor gemiddeld zestig leerlingen in de twee hoogste klassen slechts tien schrijftafels beschikbaar. Ruimte om meer tafels te plaatsen was er overigens ook niet: het hele schoolgebouw was volgens de berekening van Meurkens nauwelijks groter dan 25 m². Panken deed wel pogingen om de onderwijskundige randvoorwaarden te verbeteren. Zo schafte hij in 1843 drie landkaarten aan, `namelijk eene wereldkaart, eene Europa en de andere ons Koningrijk voorstellende' die vier jaar later (`kostende ƒ 1') van lijsten voorzien werden. Dit was meteen ook de meest revolutionaire vernieuwing die Panken kon doorvoeren.

Na de invoering van de Schoolwet van 1857 ontdekte Panken dat hij onderbetaald werd. Terwijl hij jarenlang met een jaarwedde van 200 gulden genoegen had moeten nemen, werd nu in de wet een salaris van `minimaal 400 gulden, aan te vullen met toelagen' genoemd. Nadat hij al eerder succesvol met het gemeentebestuur de degens had gekruist over een onderwijzerswoning, bond Panken andermaal de strijd aan. Opnieuw kwam de onderwijzer als winnaar uit de strijd. Het bleek een Pyrrusoverwinning.

Door de Schoolwet van 1857 veranderde er méér dan alleen de financiële positie van de onderwijzer. Van een kleine zelfstandige, die – zolang zijn gedrag en optreden acceptabel was – naar eigen inzicht zijn gang kan gaan, werd de onderwijzer een ondergeschikte. Hij werd voortaan meer op de vingers gekeken door de autoriteiten: de invloed van de plaatselijke schoolcommissie nam toe. In het begin namen de pastoor en enkele notabelen in de schoolcommissie zitting, maar na 1857 werden zij vervangen door leden van het gemeentebestuur, die op deze manier een instrument in handen kregen om wraak te nemen op hun lastige onderwijzer. Een lastercampagne en uiterst negatieve beoordelingen hadden een onwerkbare situatie tot gevolg. Een vervroegd pensioen op 43-jarige leeftijd was de uitkomst van dit conflict. Vanaf 1862 tot aan zijn dood kon Panken zich ongestoord bezighouden met liefhebberijen en zijn blijvende verdiensten liggen dan ook op het vlak van de archeologie, streekgeschiedenis en volkskunde. Toch is hij in Kempenland blijven voortleven als `Meester Panken'.

P. Meurkens, De wereld van schoolmeester Panken. Een portret van het oude Kempenland in de negentiende eeuw (Kempen uitgevers, Zaltbommel, 2004) ISBN 90 6657 212 4; 168 blz.; prijs 19,50.